“Aan het hof zijn te veel managers,” verzuchtte de hofmaarschalk, terwijl we samen de prinses haar rondes zagen maken in de manege. Ik had alleen maar gevraagd hoe het met de paarden ging.
“In naam van de koning,” zo vervolgde hij zijn betoog, “wie wil dat nu niet?! En zo is het aantal beheerders de laatste jaren enorm toegenomen. Je zult me wel een oude zeur vinden, nar, maar ik moet het toch aan iemand kwijt. Laatst heb ik het geprobeerd uit te leggen aan de nieuwe raadspensionaris en zijn adjudant. Ik had gehoopt op een formele uitnodiging, maar ze waren te druk. Gelukkig dat ze met hun gevolg naar Hilversum moesten worden gebracht. Dus ik nam zelf plaats achter de teugels van de slee om hen te rijden naar de uitspanning daar op de Utrechtse Heuvelrug. Zo’n ouderwetse Amerikaanse, weet u wel, met van die mooie bellen.”
“En toen kon u alles kwijt wat u zwaar op de maag ligt?”
“Was dat maar zo, nar. Na vijf minuten knikten ze instemmend. Ze begrepen het. Want ze hadden van de Informateur al de brief van de uitvoerders mogen ontvangen. ‘Te veel lagen,’ stond erin, ‘tussen besluit en daad.’ En na hun diepe zucht, begreep ik het. Dat gevoel van machteloosheid wilde ik niet verder aanwakkeren. Dus ook ik zweeg. Na een paar tellen, zette ik voor hen The Great Dictator op, die oude film van Charlie Chaplin. Als kinderen op de achterbank konden ze zo wegdromen, terwijl ik de paarden aanspoorde om sneller de bestemming te bereiken.”
“Verrukkelijk!” riep ik uit. “En hebben ze dan de slottoespraak gehoord? Over dat hebzucht de zielen heeft vergiftigd en ons heeft opgesloten? Dat we snelheid hebben ontwikkeld maar onszelf hebben buitengesloten? Dat we te veel denken en te weinig voelen?”
De hofmaarschalk keek me verbaasd aan. “U kent hem uit uw hoofd?”
“Natuurlijk! Elke nar zou die woorden moeten kennen. We hebben meer menselijkheid nodig dan machines. Meer vriendelijkheid dan slimheid.”
“Ach,” zuchtte hij, “ze waren al in slaap gevallen voordat Chaplin aan zijn toespraak begon. Maar misschien is dat maar goed ook. Anders waren ze vast een commissie gestart om het allemaal te onderzoeken.”
Ik keek hem aan. Zag dat hij vermoeid was. En voordat ik er goed over na had gedacht, uitte ik het eerste wat er in me opkwam:
“Daarom reis ik graag per huifkar met slechts een ezel. Dan is er altijd wel iets te beleven, zo midden in de natuur.”
“Ja, beste Nar. Helaas heeft niet iedereen die luxe. Snelheid hoort nu eenmaal bij deze tijd. Net zoals de hele troep aan managers hier aan het hof. En de adviseurs. En de beleidscoördinatoren. En sinds kort ook al die narren met hun spiegels. Allemaal netjes gekoppeld aan hun leider, zoals een paard aan zijn wagen. Het rinkelt hier de hele dag van de bellen. Ach. Het is ook wel vermakelijk. Als je het eenmaal door hebt, kun je veel plezier beleven aan al die vergaderingen. Natuurlijk, ik heb een simpele taak en ben reeds wat ouder. Ik hoef dan ook niet te vrezen voor mijn carrière of de volgende budgetkorting. Dus ik mag graag rondkijken hoe al mijn collega’s konkelen om hun budgetten te bewaken. En hoe zij via psychologische trucs de ander te slim af hopen te zijn. Ik zie het spel en grinnik.”
“Is het werkelijk zo erg? Hebben ze dan geen enkele passie voor de grote zaak? Ze moeten toch net als iedereen hier aan het Hof geloven in het algemene belang?”
Nu was hij het die me lachend aankeek. Ik merkte dat hij al wat vrolijker werd door mijn ingetogen grap.
“Natuurlijk wel! Iedereen prijst de moeilijke tijden en de noodzaak tot handelen. Maar het blijven managers hè. Zij beheren slechts en wachten op de marsorders. En zolang die uitblijven, bewaken ze met al hun expertise de bestaande zaak. Het zijn geen opstandelingen! Geen rebellen die het systeem willen bestrijden. Niet iedereen kan dwaas zijn, hè? Dat is alleen voor u weggelegd.”
Nou. Dat was waar. Hoewel met de nieuwe politieke lichting, het aantal narren wel enorm is toegenomen. Alle leiders hebben nu een vrolijke metgezel. Ik zelf heb er helaas aan meegewerkt. Maar heb er nu wel spijt van. Want zoals de hofmaarschalk het zegt: ook het narrengilde is geprofessionaliseerd. Er zijn nu coördinatoren voor de spiegels, managers voor de zotskappen, en beleidsmedewerkers voor de spreekbeurten. Bewijsdrang heeft zich opgedoken tussen de lach. Haat en nijd zijn weliswaar ten strengste verboden onder narren, maar wat kun je eraan doen. Wij zijn ook slechts mensen verkleed als dwaze persona, met spiegel en zotskap.
Als Hofnar krijg ik er een naar gevoel van en overweeg een buitengewone vergadering te houden om de orderegels weer even duidelijk te maken. Daarom was ik ook naar de stallen gegaan. Naast het genot natuurlijk om de prinses te zien lachen, daar dravend in de manege.
“Dat brengt me op mijn vraag. Heer Hofmaarschalk. Hoe staat het met de ezels? Zijn er genoeg beschikbaar zodra ik verordonneer dat alle narren aan dit hof zich moeten verzamelen om op weg te gaan naar Havezate Berlewalde? U weet wel daar nabij de Wietewievenkuil in de Achterhoek? Ik zie namelijk in mijn Gilde de lach verslappen en wil ze allemaal voor een week bij elkaar roepen. We zullen daar die film kijken. De hele toespraak van Chaplin. Zodat ze zich herinneren waar het werkelijk om draait. Dat het koninkrijk Gods in de mens zelf huist – niet in één man, maar in alle mensen. Dat het volk de macht heeft om geluk te creëren. Dat we moeten vechten voor een wereld van rede, waar wetenschap en vooruitgang leiden tot geluk voor iedereen. En dan zullen we daarna, met die woorden nog vers in het geheugen, opnieuw leren lachen. Zonder bewijsdrang. Zonder managers van de lach.”
“Prachtig plan,” zei de hofmaarschalk. “En u heeft gelijk. Soms moet je terug naar de basis.”
“Precies. Terug naar de eenvoud van de huifkar en de ezel.”
“Natuurlijk! Als beheerder van de stallen heb ik alles in de hand. Noem mij een datum, en ik zorg dat hier buiten genoeg ezels als huifkarren staan opgesteld. Misschien moeten ze wel hun vervoer delen. Gezellig met elkaar op de bok.”
“Geen enkel probleem! Dat hoort er juist bij. De eenvoud brengt ons terug naar waar het om gaat.”
Met die verzekering op zak, ging ik snel naar mijn adjudant. Want natuurlijk, ik kan niet zonder. Ook ik heb mijn persoonlijke manager. En zei tegen hem: “Roep een Ontmoeting voor de Narren aan het Hof af. Te plannen op het Lange Voorhout op de Koninklijke Kerstmarkt. Met een speciale cocktail bereid ik de geesten voor op een mooie tocht. Mijn elixer gemengd met glühwein. Zorg dat alle Narren zich warm aankleden. Dan kunnen we direct na de kerstborrel de huifkar in. Op weg naar Berlewalde.”
Hij keek me aan met die blik van efficiency die ik inmiddels zo goed ken. “Zal ik een werkgroep instellen om de planning te coördineren?”
Even schrok ik. Daar stond ik dan. De nar die een opstand tegen bureaucratie wilde organiseren, via zijn eigen bureaucraat. Maar toen moest ik lachen. Want dat is precies waar het om gaat. Je kunt het systeem niet ontlopen. Je kunt er alleen mee spelen.
“Doe maar,” zei ik. “Maar zorg dat voor alle narren aan het hof de boodschap helder is. Iedereen neemt deel, moet zich warm aankleden en zich voorbereiden op een heilzaam lang overleg. Zonder agenda of notulen, waar alleen de drank rijkelijk vloeit. Gewoon: kom, zonder gedraal.”
En terwijl ik wegliep, bedacht ik: ze denken dat ze komen voor een kerstborrel. Misschien een kort praatje. Dan weer terug naar het behaaglijke bureau. Maar ik zorg dat de huifkarren al klaarstaan. Zodra de glühwein-elixer op is, vertrekken we. En dan genieten al mijn Gildegenoten urenlang van dat eenvoudige dier – of ze nu willen of niet. Zonder powerpointpresentaties. Zonder vooroverleg. Alleen de ezel, de weg, en het sjokken van de tijd om van binnen te voelen hoe de lach opborrelt.
Te veel managers aan het hof
Over de bureaucratisering van het Narrengilde en de terugkeer naar de ezel
“Aan het hof zijn te veel managers,” verzuchtte de hofmaarschalk, terwijl we samen de prinses haar rondes zagen maken in de manege. Ik had alleen maar gevraagd hoe het met de paarden ging.
“In naam van de koning,” zo vervolgde hij zijn betoog, “wie wil dat nu niet?! En zo is het aantal beheerders de laatste jaren enorm toegenomen. Je zult me wel een oude zeur vinden, nar, maar ik moet het toch aan iemand kwijt. Laatst heb ik het geprobeerd uit te leggen aan de nieuwe raadspensionaris en zijn adjudant. Ik had gehoopt op een formele uitnodiging, maar ze waren te druk. Gelukkig dat ze met hun gevolg naar Hilversum moesten worden gebracht. Dus ik nam zelf plaats achter de teugels van de slee om hen te rijden naar de uitspanning daar op de Utrechtse Heuvelrug. Zo’n ouderwetse Amerikaanse, weet u wel, met van die mooie bellen.”
“En toen kon u alles kwijt wat u zwaar op de maag ligt?”
“Was dat maar zo, nar. Na vijf minuten knikten ze instemmend. Ze begrepen het. Want ze hadden van de Informateur al de brief van de uitvoerders mogen ontvangen. ‘Te veel lagen,’ stond erin, ‘tussen besluit en daad.’ En na hun diepe zucht, begreep ik het. Dat gevoel van machteloosheid wilde ik niet verder aanwakkeren. Dus ook ik zweeg. Na een paar tellen, zette ik voor hen The Great Dictator op, die oude film van Charlie Chaplin. Als kinderen op de achterbank konden ze zo wegdromen, terwijl ik de paarden aanspoorde om sneller de bestemming te bereiken.”
“Verrukkelijk!” riep ik uit. “En hebben ze dan de slottoespraak gehoord? Over dat hebzucht de zielen heeft vergiftigd en ons heeft opgesloten? Dat we snelheid hebben ontwikkeld maar onszelf hebben buitengesloten? Dat we te veel denken en te weinig voelen?”
De hofmaarschalk keek me verbaasd aan. “U kent hem uit uw hoofd?”
“Natuurlijk! Elke nar zou die woorden moeten kennen. We hebben meer menselijkheid nodig dan machines. Meer vriendelijkheid dan slimheid.”
“Ach,” zuchtte hij, “ze waren al in slaap gevallen voordat Chaplin aan zijn toespraak begon. Maar misschien is dat maar goed ook. Anders waren ze vast een commissie gestart om het allemaal te onderzoeken.”
Ik keek hem aan. Zag dat hij vermoeid was. En voordat ik er goed over na had gedacht, uitte ik het eerste wat er in me opkwam:
“Daarom reis ik graag per huifkar met slechts een ezel. Dan is er altijd wel iets te beleven, zo midden in de natuur.”
“Ja, beste Nar. Helaas heeft niet iedereen die luxe. Snelheid hoort nu eenmaal bij deze tijd. Net zoals de hele troep aan managers hier aan het hof. En de adviseurs. En de beleidscoördinatoren. En sinds kort ook al die narren met hun spiegels. Allemaal netjes gekoppeld aan hun leider, zoals een paard aan zijn wagen. Het rinkelt hier de hele dag van de bellen. Ach. Het is ook wel vermakelijk. Als je het eenmaal door hebt, kun je veel plezier beleven aan al die vergaderingen. Natuurlijk, ik heb een simpele taak en ben reeds wat ouder. Ik hoef dan ook niet te vrezen voor mijn carrière of de volgende budgetkorting. Dus ik mag graag rondkijken hoe al mijn collega’s konkelen om hun budgetten te bewaken. En hoe zij via psychologische trucs de ander te slim af hopen te zijn. Ik zie het spel en grinnik.”
“Is het werkelijk zo erg? Hebben ze dan geen enkele passie voor de grote zaak? Ze moeten toch net als iedereen hier aan het Hof geloven in het algemene belang?”
Nu was hij het die me lachend aankeek. Ik merkte dat hij al wat vrolijker werd door mijn ingetogen grap.
“Natuurlijk wel! Iedereen prijst de moeilijke tijden en de noodzaak tot handelen. Maar het blijven managers hè. Zij beheren slechts en wachten op de marsorders. En zolang die uitblijven, bewaken ze met al hun expertise de bestaande zaak. Het zijn geen opstandelingen! Geen rebellen die het systeem willen bestrijden. Niet iedereen kan dwaas zijn, hè? Dat is alleen voor u weggelegd.”
Nou. Dat was waar. Hoewel met de nieuwe politieke lichting, het aantal narren wel enorm is toegenomen. Alle leiders hebben nu een vrolijke metgezel. Ik zelf heb er helaas aan meegewerkt. Maar heb er nu wel spijt van. Want zoals de hofmaarschalk het zegt: ook het narrengilde is geprofessionaliseerd. Er zijn nu coördinatoren voor de spiegels, managers voor de zotskappen, en beleidsmedewerkers voor de spreekbeurten. Bewijsdrang heeft zich opgedoken tussen de lach. Haat en nijd zijn weliswaar ten strengste verboden onder narren, maar wat kun je eraan doen. Wij zijn ook slechts mensen verkleed als dwaze persona, met spiegel en zotskap.
Als Hofnar krijg ik er een naar gevoel van en overweeg een buitengewone vergadering te houden om de orderegels weer even duidelijk te maken. Daarom was ik ook naar de stallen gegaan. Naast het genot natuurlijk om de prinses te zien lachen, daar dravend in de manege.
“Dat brengt me op mijn vraag. Heer Hofmaarschalk. Hoe staat het met de ezels? Zijn er genoeg beschikbaar zodra ik verordonneer dat alle narren aan dit hof zich moeten verzamelen om op weg te gaan naar Havezate Berlewalde? U weet wel daar nabij de Wietewievenkuil in de Achterhoek? Ik zie namelijk in mijn Gilde de lach verslappen en wil ze allemaal voor een week bij elkaar roepen. We zullen daar die film kijken. De hele toespraak van Chaplin. Zodat ze zich herinneren waar het werkelijk om draait. Dat het koninkrijk Gods in de mens zelf huist – niet in één man, maar in alle mensen. Dat het volk de macht heeft om geluk te creëren. Dat we moeten vechten voor een wereld van rede, waar wetenschap en vooruitgang leiden tot geluk voor iedereen. En dan zullen we daarna, met die woorden nog vers in het geheugen, opnieuw leren lachen. Zonder bewijsdrang. Zonder managers van de lach.”
“Prachtig plan,” zei de hofmaarschalk. “En u heeft gelijk. Soms moet je terug naar de basis.”
“Precies. Terug naar de eenvoud van de huifkar en de ezel.”
“Natuurlijk! Als beheerder van de stallen heb ik alles in de hand. Noem mij een datum, en ik zorg dat hier buiten genoeg ezels als huifkarren staan opgesteld. Misschien moeten ze wel hun vervoer delen. Gezellig met elkaar op de bok.”
“Geen enkel probleem! Dat hoort er juist bij. De eenvoud brengt ons terug naar waar het om gaat.”
Met die verzekering op zak, ging ik snel naar mijn adjudant. Want natuurlijk, ik kan niet zonder. Ook ik heb mijn persoonlijke manager. En zei tegen hem: “Roep een Ontmoeting voor de Narren aan het Hof af. Te plannen op het Lange Voorhout op de Koninklijke Kerstmarkt. Met een speciale cocktail bereid ik de geesten voor op een mooie tocht. Mijn elixer gemengd met glühwein. Zorg dat alle Narren zich warm aankleden. Dan kunnen we direct na de kerstborrel de huifkar in. Op weg naar Berlewalde.”
Hij keek me aan met die blik van efficiency die ik inmiddels zo goed ken. “Zal ik een werkgroep instellen om de planning te coördineren?”
Even schrok ik. Daar stond ik dan. De nar die een opstand tegen bureaucratie wilde organiseren, via zijn eigen bureaucraat. Maar toen moest ik lachen. Want dat is precies waar het om gaat. Je kunt het systeem niet ontlopen. Je kunt er alleen mee spelen.
“Doe maar,” zei ik. “Maar zorg dat voor alle narren aan het hof de boodschap helder is. Iedereen neemt deel, moet zich warm aankleden en zich voorbereiden op een heilzaam lang overleg. Zonder agenda of notulen, waar alleen de drank rijkelijk vloeit. Gewoon: kom, zonder gedraal.”
En terwijl ik wegliep, bedacht ik: ze denken dat ze komen voor een kerstborrel. Misschien een kort praatje. Dan weer terug naar het behaaglijke bureau. Maar ik zorg dat de huifkarren al klaarstaan. Zodra de glühwein-elixer op is, vertrekken we. En dan genieten al mijn Gildegenoten urenlang van dat eenvoudige dier – of ze nu willen of niet. Zonder powerpointpresentaties. Zonder vooroverleg. Alleen de ezel, de weg, en het sjokken van de tijd om van binnen te voelen hoe de lach opborrelt.



