Hofnar - logo met spiegel en Narrenstaf

“Eendracht doet het kleine groeien.”

Het klinkt me zo bekend in de oren, maar toch kijk ik mijn gespreksgenoot aandachtig aan. Ik nodig hem met een klein gebaar uit te vervolgen. Want ik meen te zien dat mijn beste kameraad zijn zinswending graag wil toelichten.

“Ach, beste Nar. Mijn dank is groot. Ik zie te veel mensen in hun persoonlijke spiegel staren met de vraag of zij de knapste, de mooiste, de dapperste zijn. Zodra zij hun bijdrage aan de wereld hebben geleverd, verwachten ze al na enkele minuten applaus.”

“Dat is zeker waar, mijn beste. Ik kan mezelf ook wel eens betrappen op staren naar dat scherm.” Daarmee beken ik hem dat ik net als zovelen aan de hedendaagse verslaving lijd en naast mijn Narrenspiegel over een duivels apparaat beschik.

“Dus je herkent de ijdelheid. Wat spijtig. Ik had gehoopt dat je boven deze zonde was verheven. Maar dat ligt waarschijnlijk meer aan mij dan aan jou. Ik had in mijn gedachten van jouw persona een supermens gemaakt. Maar zolang wij hier op twee benen op deze aarde flaneren, is dat natuurlijk doldwaze onzin.”

“Zeker. Toch wil ik u vragen terug te keren naar uw spreuk. Ik herken het, maar kan niet precies duiden waarvan?”

Met deze vraag open ik zijn toegangspoort tot een gloedvol betoog. Mijn nieuwsgierigheid trilt door tot in zijn binnenste. Hij neemt een slok uit het glas dat naast zijn stoel staat – de wijn van de Hofpredikant, vermoed ik aan de kleur – en leunt achterover. Zijn vest vertoont de krijtstrepen van een dag lesgeven aan onwillige prinsessen. Net als de Hofbeiaardier – die urenlang het carillon van de Grote Kerk bespeelt, van simpele Sinterklaasliedjes tot ingewikkelde Buxtehude-composities waar de nieuwe plaatsvervangend Raadspensionaris zo van houdt – weet mijn gesprekspartner, de geschiedenisleraar van de prinsesjes, van geen ophouden.

“Zoals ik ook hare Koninklijke Hoogheden heb proberen uit te leggen, betreft het hier de wapenspreuk van de Republiek, mijn beste. Ik citeer slechts Sallustius. U weet wel, een van mijn helden uit het Oude Rome. Hij schreef: ‘Nam concordia parvae res crescunt, discordia maximae dilabuntur.'”

“En dat betekent?”

“‘Want kleine dingen groeien in harmonie, grote dingen vallen uiteen in onenigheid.’ De afgekorte versie ‘Eendracht maakt Macht’ is wellicht bekender. En omdat die gedachte zo sterk is, hebben de Amerikanen een andere variant: E pluribus unum – ‘Uit velen, één’.”

“Ah! Zoals in die serie op de streamingdienst?”

“Precies! Over een wereldwijde transformatie door een virus dat de mensheid in harmonie brengt. Ach, hoe schitterend is het als de geschiedenis rijmt. Dan hoort u in mijn woorden de lessen uit het verleden natrillen.”

“Nu begrijp ik het. U wilde me de Hollandse deugd verklaren om het kleine te eren?”

“Zeker. Vanuit de harmonie, welteverstaan. Ik hoor zo veel wijze heren praten over alle grootse dingen die zij willen bewerkstelligen. Maar dan moet ik altijd denken aan die oude Romeinse Senator. Sallustius was namelijk een goede bekende van Julius Caesar en mocht net als u de grote heerser soms wat influisteren.”

“Ons gilde gaat inderdaad ver terug in de tijd. En wat ik me zo herinner: hij was ook wel een wildebras. Hij hield wel van het leven daar in die Eeuwige Stad. Tijdens mijn studie werd de grootsheid vaak door middel van kleingeestige ezelsbruggetjes aan ons gevoerd. Maar waarom, zo wil ik u vragen, benadert u mij met deze woorden?”

“Nou, beste nar, goed dat u mij dat vraagt. Het is lastig om de prinsesjes bij de les te houden. Ik heb het gevoel dat ik als een oude dominee overkom, terwijl zij in een andere wereld verkeren. Van de week bijvoorbeeld, zei de ene tijdens de les plotseling: ‘Stil nu even, professor. We moeten even pauzeren.’ En ze liep zo maar weg.”

“Wat zegt u me nu?”

“Ja, het was Black Friday. En haar favoriete modeontwerper had een beperkt aantal jurken in de webshop geplaatst. Met gigantische korting. En zo moest zij haar hofdame instrueren om net zo lang te klikken tot zij er een bemachtigde.”

“Natuurlijk! Ze werkte net als zovele onderdanen haar verlanglijstje af. Logisch, mijn waardige heer. U moet toch invoelen hoe de tijdsgeest is veranderd en uw lessen als zoete broodjes verpakken?”

“Precies, Nar! Daarom kom ik tot u.”

“U maakt mij nieuwsgierig.”

“Nou, ik zat zo te denken. Kunt u niet in een van uw vermakelijke toneelstukjes de wijze lessen uit het verleden van deze grootse natie verwerken? Ik mag graag bij uw bonte avondjes zijn. En als de koning en zijn vrouw het uitgieren van het lachen, kan ik ook een lachje niet onderdrukken. Dus – als ik u nu eens alles vertel over de kleine gebaren van Prinses Wilhelmina van Pruisen of van Prinses Amalia van Solms, kunt u die dan niet verwerken in een hedendaagse klucht?”

Nu, mijn waardige lezers, ik had dit natuurlijk zien aankomen. Toch moest ik ook denken aan de wijze woorden van Jezus Sirach: “Wie zo aan zijn drankzucht toegeeft wordt niet rijk, en wie het kleine niet eert gaat langzaam maar zeker te gronde.” Ik zie hem daar zitten met zijn bijna lege glas en zijn met krijt bestoven vest, en besluit hem te vragen hoe ik kan bijdragen. Want natuurlijk komt uit mijn gulle lach weinig groots voort – wat ik kan doen, doe ik met plezier.

“Fijn! Dat vind ik nu fijn om te horen. Moet eens luisteren. Mijn voorganger Plutarchus noemde het terecht syncretisme.”

“Syncrewat?”

“Syncretisme! Misschien dat uw leraar Erasmus het al wel eens heeft verteld, maar dit woord betekent dat twee partijen een verdrag sluiten tegen een derde partij. Plutarchus doelde op het eenheidsfront van de Kretenzers. Zij waren onderling verdeeld, maar sloten zich aaneen om zich samen tegen vreemdelingen te kunnen verweren.”

“En dat heeft met mijn komedie te maken omdat…?”

“Geduld, beste Nar! Tegenwoordig vatten we onder dit begrip de samengroeiing en versmelting van tegengestelde geloven. Precies wat u in uw stukken doet – oude en nieuwe vermengen tot iets nieuws.”

“Geef me een voorbeeld, geleerde heer, want ik zwem nog in nevelen.”

“Alexander de Grote! Na zijn tocht over de bergen van Afghanistan naar India, werd binnen de oude Griekse beschouwing allerlei nieuwe elementen ingevoerd. Zo ontstond de prachtige hellenistische cultuur.”

“Ah, nu begint het te dagen.”

“En de Romeinen waren er nog beter in. Zij vermengden de Griekse goden met soortgelijke godheden uit de Etruskische of Romeinse tradities. En later verwelkomden zij vreemde goden in hun stad zoals de Egyptische Isis en de Perzische Mithras. Geen strijd, maar versmelting!”

“U bedoelt dat zij slim genoeg waren om het oude niet te vernietigen, maar te omarmen?”

“Precies! En dan het pronkstuk: het Christendom!” Hij neemt nog een slok, zijn ogen glinsteren van enthousiasme. “De eerste missionarissen die door West-Europa trokken, wisten precies hoe zij de Germaanse koningen en hoofdmannen te overtuigen. Niet door strijd, maar met stroop. De eik werd door de Germanen als een god aanbeden – dus wat deden de missionarissen? Ze zetten een mariabeeld en -kapelletje in de bomen zodat de bevolking daar verder kon blijven bidden, maar dan op een christelijke manier.”

“Ah!” riep ik uit. “Net zoals de Sint met zijn Harlekijn! Die bonte vrolijke clown die in het liedje met kinderen speelt, was ooit Hellequin – hij die met Wodan door de winterhemel joeg tijdens de Wilde Jacht. En nu danst hij vrolijk tijdens het heerlijk avondje van vijf december. Syncretisme in de praktijk!”

De leraar knikte verheugd, zijn ogen glinsterden als van iemand die eindelijk een geleerde leerling heeft gevonden. “Precies, Nar! U begrijpt het al. Het oude verdwijnt niet, het wordt omgevormd. De Wilde Jacht wordt een kinderspel, maar de diepere waarheid blijft schuilen onder de lach. Net zoals u doet in uw toneelstukjes – u vermengt het hoge en het lage, het oude en het nieuwe, en de mensen lachen zonder te beseffen hoeveel wijsheid er in verscholen ligt.”

“Sluw!”

“Wijsheid, Nar, wijsheid! U moest eens weten hoeveel heilige bomen door missionarissen als Willibrordus en Bonifatius zijn gekapt om daar kapellen van te bouwen. Kunt u met uw rijke fantasie deze vervlechting van de geschiedenis niet terug laten komen in een van uw toneelstukjes?”

“Wat? Wilt u nu zeggen dat ik uw geleerde feitjes moet verwerken tot toneel?”

“Zeker, want verhalen maken donkere avonden aangenaam. Beste Nar, u weet als geen ander hoe u bij het haardvuur de lach tot eendracht smeedt”

“Maar eerwaarde leraar, u vergist zich toch werkelijk. Ik ben geen heilige die met een paar woorden en zegeningen in het hoofd van andere mensen kan kruipen. Ik ben veel eenvoudiger van geest. Mijn lach komt voort uit de eenvoud van de geest.”

“Het beste medicijn in deze tijd! U heeft zelf eens gezegd dat ook de Boeddha lacht! Nu dan. Ik wil u best wel verder helpen met allerlei feiten en data. Maar ik kan niet tippen aan uw rijke fantasie. Mag ik erop vertrouwen dat u aan de slag gaat? Vrijdag 5 december, als de Koninklijke familie de hele hofhouding heeft uitgenodigd voor een gezellig samenzijn. Zou dat niet een perfecte gelegenheid zijn voor een van uw doldwaze komedies? Gewoon wat volksgeloof en platonische ideeën vermengen tot een heerlijk spektakel. Ach, wat verlang ik nu al naar uw expressieve creatie! Afgesproken, vrijdagavond?”

“Nou nou, u gaat mij toch echt wel te snel. Ik had iets heel anders in gedachte. Een leuk sprookje over Hansel en Gretel en hun zoektocht naar identiteit. Dus ik weet het nog niet zo zeer, heerschap.”

“Ach, het was maar een idee hoor.”

Ik zie hem grijnzen terwijl hij het laatste restje wijn neemt. Zijn vest zit onder de krijtvlekken, zijn adem ruikt naar de kelder van de Hofpredikant, maar zijn ogen glinsteren helder. Hij weet net als ik dat hij zijn zaadje in mijn hoofd heeft geplant. En het thema is fantastisch als rode draad door mijn komische vertellingen. Wie weet… Maar ik ga hem geen gelijk geven. Hij moet maar afwachten wat ik ervan brouw.

“U vindt het toch niet erg als ik mijn vrouw meeneem?”

“Met zevenmijlslaarzen stapt u nu wel van het een naar het andere onderwerp. Laten we klein beginnen, zoals uw spreuk zegt. Wie weet vloeien onze verhaallijnen dan achteraf in harmonie samen. Mag ik u nu vragen mij met rust te laten? Mijn hoofd bonkt nog na van al die geschiedenisfeiten die u mij heeft verteld. En ik moet ook nog een nieuwe mantel kopen, voordat Black Friday definitief het land heeft verlaten.”

En zo laat ik hem gaan, die geleerde dronkaard met zijn mooie woorden. Ik kijk naar buiten, waar de Hofbeiaardier zijn laatste lied van de dag speelt. Van groot naar klein, van hoog naar laag – alles vloeit samen in die klanken. Misschien heeft hij gelijk, die schoolmeester. Misschien doe ik al wat hij vraagt, zonder dat ik het wist. Het kleine eren, eendracht zoeken, oude en nieuwe wijsheid vermengen tot iets dat mensen aan het lachen maakt én aan het denken zet.

Maar eerst die mantel. Want ook een nar moet warm blijven in deze koude tijden. En wie weet – als ik door de winkelstraten dwaal tussen al die jagers op koopjes, zie ik daar wel de stof voor mijn verhaal. Daar waar oliebollen en glühwein in de kathedrale winkelstraat samenkomen, vindt ieder zijn stukje geluk.