Narrensprong door de buurt

Toen de Amerikanen zich onafhankelijk verklaarden van het oude Koninkrijk, stelden ze dat elk mens het recht heeft om geluk na te streven. Geluk, je vindt het in kleine gebaren. Het is kwetsbaar, want als je het probeert te vatten en op te sluiten, breekt het.

Daarom ga ik erop uit. Mijn dagelijks rondje buurt. Want al snel kom je daar de buurman tegen. Met een knik begroet ik hem. Hij is vandaag niet beschikbaar voor een praatje. Maar dan, even later, daar is die mevrouw van de keramiek. Maaike. Zij wil me wel even begroeten voor een gulle lach. Haar ogen glimmen: ik en jij, dat maakt ons. En zo loop ik door om af te slaan. De deur staat al open, nu nog de drempel nemen, om in een van mijn favoriete galerieën rond te kijken. Deze heeft weer allemaal nieuwe rijkdommen verzameld om ons te verleiden tot een praatje over schoonheid, hoop en vrees. Ik knik, glimlach naar de vrijwilliger die zelfexpressie net zo waardeert als ik. Ik weet, zij maakt graag een praatje, want eigenlijk is het leven van een student-vrijwilliger best saai. De tentoonstelling heeft ze al honderden keren doorlopen, en dat studieboek maakt studeren ook al saai. Na de vele stille uren voorovergebogen en ingedut, is zij zich dus meer en meer gaan verwonderen voor de pracht van de natuur als ze van het Korte Bosch door het Haagse Bos terug naar het paleis loopt.

In dit tussenjaar mag ze lekker anoniem alle sensaties van de stad proeven, en zo had ze gedacht: ik ga in zo’n hippe galerie als vrijwilliger aan de slag. Want paps en mams zullen me echt wel een toelage geven als ik straatarm door het studentenleven dool. Paps heeft zelf naam gemaakt als Prins Pils, dus ook ik mag heus wel in alle uitbundigheid van het leven genieten. En omdat ik en zij beide de god Dionysos bewieroken, is ze maar al te blij als ik even langskom. Ik geef haar direct bij binnenkomst, als ik de wallen onder haar ogen zie, mijn flacon met het elixer, zodat ze een heerlijke cocktail kan maken, terwijl ik de creaties van de hedendaagse kunstenmakers en poetsenbakkers bewonder. Hoe ze het doet, ik weet het niet. Maar die combinatie die zij heeft uitgedacht, maakt dat we beide enkele uren zitten te ketsen.

Soms denk ik wel dat ze me overhoort. Net als ik begin te denken: wat ben ik toch een goede docent, meen ik waar te nemen dat ze met die laatste vraag toch iets meer wil weten dan de saaie theorie. Ze lacht en giert, verleidt me zo met de kunsten die ik haar heb geleerd. Dus ik kan me niet beheersen en vertel haar over de wilde nachten, jagend met haar vader. En zelfs dat de Koning mij toevertrouwde dat de tweede dochter toch wel heel slim en schoon is; dat hij wellicht te streng voor haar is, alleen omdat hij bewondert hoe ze met een blij gemoed de mensen voor haar inpalmt. Ik eindig deze roddel met een waarachtige blik en zij voelt zich weer gewaardeerd voor wie ze is.

Maar ik moet door. Het wordt al bijna donker en ik moet mij haasten. Zo dadelijk ontmoet ik de nar van de oude koningin. Helaas mag zij in dit vreemde land nu niet de titel koningin-moeder dragen. Wat zij allemaal voor dit land doet! Nog altijd trekt ze aan de koordjes en fluistert ze haar kleindochters oude wijsheden in. Zo weet ze haar zoon steeds meer richting kunsten en nobele muziek te begeleiden. Nu haar kleindochter als vrijwilliger aan haar kunstzinnige vorming werkt, is de missie bijna geslaagd. En ook de mode mag haar kroost bekoren! Elke dag opnieuw, zucht mijn voorganger, hoort hij haar verzuchten: “Wat geweldig hoe wij als vrouwen aan het Hof mijn zoon ertoe verleiden om zich een beetje netjes aan te kleden. En dat hij zich natuurlijk uitslooft om in figuur te blijven!” En daar heeft ze natuurlijk gelijk in, want ’s avonds laat als ik met de Koning nog even zit na te pilsen, delen wij de vrees dat als hij zich weer laat begaan en dikke plooien om het middel krijgt, hij nooit een mooie schoonzoon overtuigt om een van zijn dochters te trouwen. De koningin zit hem goed achter de vodden, verzucht hij regelmatig.

“Ach, beste Nar, wat ik allemaal moet verduren! Elke dag weer hetzelfde riddeltje. Waarom hebben zij haar de titel van Koningin-Moeder onthouden! Slechts prinses mag ze zich noemen. Ach, als een hedendaagse Wilhelmina van Pruisen kent ze haar rol. Nog altijd zendt ze dagelijks talloze brieven uit. WhatsAppjes, zoals dat tegenwoordig heet. Om ieder aan het hof te instrueren hoe zij wenst dat het gaat. De hofhouding schiet bij elke melding in de houding. Zo meent ze echt: ‘Ik ben aan het Hollandse Hof als een stafchef voor die seniele president van Amerika’.”

En zo ratelen ze maar door. Daar op haar landgoed Drakensteyn. Van de Hofpredikant had ik onlangs ook al een zucht vernomen. “Kan je niet eens praten met je voorganger, de nar van de prinses. Ze zit soms in zak en as.” Ach, onze prinses, grootmoeder en binnenkort wellicht overgrootmoeder van een kleine-kleindochter.

Ik luister gestaag en hoor zo hoe zij laatst op hoge tonen met Koning Charles wilde converseren. Over zijn knieval naar die ploert, welteverstaan. Maar hij weigerde haar telefoontjes. Als drager van de kousenband delen zij hetzelfde lot. Ook haar zoon had hem een ontbijt geserveerd.

Mijn beste vertrouweling kreeg vervolgens tranen in zijn ogen toen hij mij toevertrouwde dat de prinses had geëist dat hij samen met haar zou knielen voor de Piëta, die Willem van Oranje nog uit de Kathedraal van Antwerpen had weten te smokkelen voordat de Beeldenstorm van 1566 haar trof. Zij wilde bidden voor de heilige Kate, prinses van Wales, een van haar infiltranten aan het Hof van Londen. “Maar zoals u wel weet, wij narren zijn niet zo serieus. Dus prevelde ik snel dat ze zich eerst beter kon wenden tot de edelmoedige Clio met een vol glas wijn. Het edele vergeten van de geschiedenis is duizendmaal beter dan pruilen over een mogelijk nooit geschiede toekomst.”

En nu ik dit wijze advies voor de honderdste maal hoor, besluit ik hem te bedanken. Te prijzen. Te waarderen. “Beste voorganger, weledele Nar, u heeft het zo goed gedaan. En nog altijd. Het moet niet gemakkelijk zijn. Al decennia zorg je met je lach voor dit land. De diepe dalen van de jaren tachtig door, dan het optimisme over paars. Die nobele kleur voor gaiety. Vrolijkheid tot aan 2002. Toen moest u het podium delen met mij, de nieuwe nar van de prinses van Oranje. Zij die mij als jonge nar toegang gaf tot het Haagse Hof. Ach wat was ik toen jong. Net van de Narrenacademie, zo onstuimig en verlegen tegelijk. Nog vol twijfel hoe ik de beste en meest vrolijke lach kon opwekken. Maar daar was u! Zo vrijmoedig. Een betere leermeester kon ik niet wensen. Maar helaas ik moet door.” Hij knikt, veegt een traan uit zijn oog en wij buigen voor elkaar diep.

Nog snel ontsnapt er bij hem een preveling: “Succes, mijn beste opvolger, binnenkort weer een nieuwe ploeg van hovelingen. En al die prinsesjes. Mijn meesteres kan ze allemaal niet meer uit elkaar houden. En dan binnenkort een kleintje, van die artistiekeling. Hoe geweldig, deze tijd.”

Ach, ook van deze buurtbewoner kan ik geen genoeg van krijgen. Maar ik moet door. Voor vanavond moet ik een toneelstukje bedenken voor mijn Heer en Meester. Ik denk na over mime. Over kleine gebaren. Over wat dit land zo groots in is.

En zo loop ik door richting de Torenstraat. Zie ik daar nu waarlijk de goede geest van Carmiggelt. Die held van ons gilde, die hier menig wandeling heeft gemaakt om mensen te observeren, met zijn stille aandacht voor de kleine geneugten van het leven. Ach, zijn kronkels zijn nog altijd verplichte leerstof voor elke goede nar. Ik kan slechts zijn voetsporen door deze buurt volgen. En met wie hij schreef, daarmee klink ik het glas. Zijn pen, mijn flacon. Beide proberen we hetzelfde: de lach te vangen zonder hem te breken. Hij liet de stad spreken, ik laat haar lachen. En misschien is dat wat deze tijd vraagt – niet alleen de observatie, maar ook de troost van mijn elixer.

Hier aangekomen op het pleintje nabij de Haagse Toren, wacht mij verpozing van een rijkelijk bier. En natuurlijk al die andere vrolijke dwazen die hier genieten van het leven.

Want te sjansen zonder franje, dat is het leukste om te doen.

Ik palm ze allemaal in. Met mijn gulle ogen. Een twinkeling alras. Want in onze medemens herken je jezelf. Die vrolijke schavuit die waardering behoeft om volop te leven. In de regen of in de zon, ik ga erop uit. Ik lach het leven toe.

Bevrijd toch ook snel je stem. Fluit je liedje op de straat. Als een zwerver ga je daar door de straten. Een aalmoes, je deelt ze uit. Aan die arme van geest die maar niet wil lachen, het leven tegemoet. Gelukkig kan je soms een neut uit je flacon nemen, want ellende, je ziet het alom. Als mensen niet die bodem in henzelf herkennen, hun kwetsbaarheid als mooiste goed. Door de pijn zie je nog altijd de lach. Je kietelt het slechts en daar brullen ze het uit. “Ik moet wel huilen, je doet mij met je lachen zeer. Hou op!” schreeuwen ze, maar dat lucht op. Gooi het eruit. Je mooiste, liefste, schoonste lach!

Nu pak ik snel mijn pen en stuur ik u deze verhandeling over een loopje door mijn buurt. Want zo moet ik nog door naar Rumi. De brouwerij waar mijn liefste dichters aan het proberen zijn om van mijn elixer een smaakvolle variant te maken. Op die manier is het gemakkelijker te mengen in de favoriete drankjes van de jeugd. Mijn vriendin van de galerie bracht mij op het idee. Ik wist dat ze de wijsheid al jong bezat om mannen op het pad te brengen zodat ze doen wat ze wenst. Want ook zij weet: de lach moet nu gewoon in vele hoeveelheden worden uitgeschonken. En daarom is het niet genoeg als ik elke week een bad neem en het Narrennat, elixer van de lach, eigenhandig produceer. Deze stad en al het ommelland heeft behoefte aan meer. Tegen de angstdruppels in het drinkwater is alleen een slok van mijn Narrennat heilzaam.

Ach vrolijke lezer, iedereen denkt maar dat dit de slechtst mogelijke tijden zijn. Ze verwachten een storm. Maar u weet net als ik dat wijze vrouwen niet hoeven te vrezen als ze slechts een kleine neut kunnen nippen. Dus toen mijn lieve prinses bij mij zwijmelde: “Ga nu mee naar Rumi Beverages, daar bij de Molens, zij weten raad. Je elixer wordt in no time een groot succes,” ging ik snel akkoord.

Deze nieuwe tijd vraagt om een tegenoffensief. Een contrareformatie uit de fles. Een lach als ooit de Zilvervloot. Dionysos weet in elke tijd hoe te handelen en geeft ons van het Gilde nog altijd wijze raad. Hoe hij door de eeuwen de mistroostigheid altijd weet te verdrijven! Want een gul hart betovert elk mens tot de mooiste bekentenissen. En zo verschijnt overal de lach.

Ik belief u mijn warmste groet toe. En mocht u even het niet meer weten: maak een korte rondgang door uw buurt. Daar ziet u – net als ik – alras een blij gemoed.


Genoten van deze wandeling door mijn buurt? Schenk dan ook een neut uit voor uw buren…

In deze Narrensprong resoneren:

  • De pursuit of happiness uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776) – die nobele maar naïeve gedachte dat geluk nagestreefd kan worden. Wij narren weten dat geluk zich niet laat vangen, maar zich in het hier en nu wel laat lokken met een vol glas en een gulle lach.
  • Simon Carmiggelt, die meester-observator die aan het Westeinde zijn kronkels door de stad maakte. Zijn pen als chirurgisch instrument om de kwetsbare schoonheid van gewone mensen bloot te leggen. Elke nar die door Den Haag loopt, loopt in zijn voetsporen – of we willen of niet.
  • De Beeldenstorm (1566), toen woedende menigten de kerken binnenvielen om heiligenbeelden te vernielen. Willem van Oranje was er op tegen en nog net redde hij de Piëta uit de Antwerpse kathedraal – een beeld waar onze oude prinses nog altijd voor knielt. Want ook macht moet soms buigen voor heiligheid, al is het maar voor de schijn.
  • Rumi Beverages, waar mijn elixer binnenkort misschien wel commercieel gebrouwen wordt. Een grote missie? Misschien… maar als zij Rumi weten te bottelen, kan het misschien ook lukken met mijn medicijn tegen mistroostigheid.