Ik heb altijd zo’n haast.
Memento mori.
En dus doe ik niets.
Een vat vol tegenstrijdigheden,
om het leven spannend te houden.
Zinvol, vrank en vrij —
bepaald het tegengestelde.
Want hoe kan je nu gelukkig zijn?
Memento mori.
Vergeet geen enkele dag
dat je sterven zal.
Daarom altijd maar te heksen,
totdat je neervalt van zo’n spijt:
ik heb gezondigd, niet volop geleefd.
Geef me snel de zegen,
dan ga ik er nu op uit.
Want in de wetenschap dat je mij ziet,
weet ik dat op een dag jij voor mijn kist
Kyrie eleison —
ontferm U over deze ziel.
Zo hoor ik reeds in Uw stem
die mooie klanken,
vol vergeving zonder spijt.
Als ik me nu haast,
kan ik nog volop leven
voordat de laatste bel klinkt.
Op slag, daar tussen de engelen,
fluister ik U de woorden in:
“Hij heeft geleefd als een zalige,
met voor iedereen een oog,
en altijd alle tijd
om ieders naaste te zijn.
In slechte tijden,
in goede tijden,
zonder haast ging hij door het leven,
want hij wist:
ooit, tussen de engelen,
is er geen enkele tijd.
Voor eeuwig daar zweven,
verveling ligt op de loer.
Daarom leefde hij volop
en genoot iedereen van zijn lach.
Wij zullen hem herinneren.
In ons hart verdwijnt hij nooit.”
Laat ik mij nu dus door U vergeven.
Ik heb geen enkele haast,
maar wil nu nog even verder kijken.
Ga toch ook eens leven.
Laat je blik op die ander rusten,
niet langer in de boeken
of op het scherm,
maar midden in het leven.
Daar komt ieders lach tot zijn recht.
Zodra je iemand verblijdt,
weet je pas wat leven is.
Oneindig duurt dan de tijd,
want delen in het plezier
doet onze zielen rusten.
Niet opgejaagd.
De dood viert met jou
het leven mee.



