Voordat de daad de deur uitgaat, of zoveel eerder als de kwispelende rakker het echt niet meer uithoudt
“De wil kijkt vele malen door het venster eer de daad de deur uitgaat.”
Van de Grote Erasmus heb ik geleerd om geduldig door mijn keukenraam naar buiten te loeren, voordat ik de kleding van de Keizer inruil voor mijn Narrenkostuum en de deur achter me dichttrek.
Aan het hof aangekomen weet ik namelijk dat de hovelingen geen geduld meer hebben om zichzelf voorbij te razen. Nu de meeste hovelingen naar de kiesdistricten zijn vertrokken om de achterbannen te consulteren, lees ik de studieboeken van mijn oude leermeester er op na. U begrijpt dat ik het uitbrul van het lachen over de actualiteit van De Lof op de Zotheid. De tranen laat ik vrijelijk over mijn wangen stromen, terwijl ik nog eens een lekker kopje thee zet.
Zo ook gisteren. Plotseling echter werd er aangebeld. De zingende buurman had mij al dagen lang achter het keukenraam zien zitten.
“Gaat het wel goed, mijnheer de Nar?”, wilde hij weten.
“Natuurlijk, mijnheer de Galeriehouder. Het is een heerlijk rustige tijd aan het Hof en ik verblijf dan ook lekker thuis.”
“Ajuun. Ja, de verkiezingen komen er natuurlijk aan. Maar ik zie u al dagen huilen en soms hoor ik een schreeuw. Dus wilde ik toch even mijn burgerplicht doen om te informeren hoe het werkelijk met u gaat?”
“Nee joh, buurman! Hoe vergist u zich. Ik was slechts de oude studieboeken aan het raadplegen. Over humor als medicijn voor sombere tijdsgeest is er namelijk veel geschreven. En deze boeken zijn uitermate vermakelijk, moet u weten. Daarom huil ik niet, maar hoort u slechts mijn herwonnen wijsheid door uitermate grote vrolijkheid en schaterlach.”
“Oké. Als u het zegt. Want ik vind het nog al mistroostig hier buiten. Heeft u niet nog wat van uw lachelixer?”
Het is een lieve buurman. In zijn galerie hangt hij de kunst van oude amateurkunstenaars die nog altijd Karel Appel naäpen, terwijl hij jonge artifiesten een plek biedt die de wrede wereld ver verwijderd van veilig thuis aanklagen. Dus ik mag hem zeer. En nu hij mij wilde troosten, twijfelde ik geen moment en gaf hem wat van mijn elixer. Ook al ben ik bijna door de voorraad heen.
Het werd trouwens toch al tijd om de deur uit te gaan. De Koning wilde namelijk wat gaan jagen en had gevraagd of ik in de tussentijd niet wilde oppassen op zijn nieuwe hond. Hij had dit zwarte exemplaar ontvangen van een duistere doctor. Ik besefte direct dat dit wellicht helemaal verkeerd kon gaan als dit lieve puppy niet goed werd opgeleid tot een vrolijk, lief beestje. Nu die jonge oogjes nog sprankelen, wilde ik er natuurlijk voor zorgen dat het licht niet verdwijnt.
Aan het hof aangekomen, was de Koning helemaal wild enthousiast van alle extra’s die hij van de Doctor had ontvangen. Verschillende soorten riemen, strafwerktuigen en druppels voor de ogen.
Ik bekeek dat allemaal eens en wist: ik had geen seconde later mogen komen.
“Gaat u nu maar snel naar uw Jachtslot, mijn Koning. Ik zal dit puppy goed trainen, zonder al deze attributen wel te verstaan!”
“Hoe bedoelt u? Een hond moet je toch afrossen en onderdanig maken? Dat heeft die Doctor Faustus mij nadrukkelijk op het hart gedrukt. Dit ras heeft orde en discipline nodig, mijn Nar. Had ik toch niet die allerparmantigste Hondentrainster van de Voormalige Voortvarende Doldrieste-honden-boel moeten vragen? U weet wel, die dame wiens stijlvolle haar altijd even onberispelijk zit? Ik moet haar trouwens nog eens vragen om het nummer van de kapster, gelet op het nieuwe kapsel van mijn vrouw. Kunt u dat niet regelen als ik weg ben, beste Nar?”
“Maar mijn Koning, begrijpt u niet welk gevaar u loopt? U moet niet zomaar van elke doctor een hondje aannemen. En deze attributen zijn echt niet nodig. Zeker niet deze duivelse angstdruppels. Ik heb u toch verteld over de achtergrond van mijn Narrennat — mijn elixer van de Lach? Die zijn juist bedoeld om mensen — en nu ook uw jonge hond — te genezen van de bezetenheid en duistere angsten. Mijn antagonist heeft mij ook hier naar dit Hof achtervolgt en als een sluwe spion een ingang gevonden voor zijn kwade genius. Laat mij tijdens uw verblijf in het Jachtslot ’t Loo ontfermen over dit prachtig beestje.”
“Oh, nu begrijp ik het pas. Ik dacht altijd dat u wat fantaseerde. Het is voor Ons soms lastig om scherts en sprookjes te onderscheiden van seriositeit. Maar dat is dan ook mijn rol. En nu ga ik mijn herenplicht vervullen. Op naar de jacht! Ik voel me zo opgetogen dat ik nu eindelijk mijn oudste dochter schietles kan geven. Het moet net zo voelen als een vader die stiekem zijn kind leert autorijden.”
En zo verliet ik het Haagse Bos met een nieuwe metgezel. Tijdelijk, natuurlijk, want na dit beestje goed afgericht te hebben, zal het — ook als ik even niet aan het hof vertoef — de vrolijkheid zelve zijn. Kwispelend met zijn staart zal hij dan als koninklijke hond de naargeestigheid verdrijven.
Maar blij dat die allerparmantigste Hondentrainster het te druk heeft om haar politieke leven te redden. Ook zij kent het gevaar van duistere raadgevers. Ik gun haar dan ook vele mooie momenten aan het venster, om het leven te aanschouwen. Haar hond Moos, eveneens een zwart exemplaar maar een trouw beest — een prachtige Beauceron, onverschrokken en fijngevoelig, net als haar bazin — is vorig jaar door mij reeds behandeld, zodat deze haar tot troost mag zijn.
Dus spoed ik mij naar huis, het zwarte puppy in mijn armen. En terwijl ik door de straten van Den Haag dwaal, voel ik hoe het beestje zich nestelt tegen mijn borst. De angstdruppels heb ik achtergelaten bij het Hof — vernietigd, uiteraard. Want licht verdrijft duisternis, en een lach is sterker dan welke ketting ook.
Mocht u aan het hof een man met een zwarte hond tegenkomen, wees dan niet bevreesd. Kijk slechts of mijn ogen nog sprankelen. Dan weet u: de Nar is de Doctor weer eens te slim af geweest.
Ook deze Narrensprong is doorspekt met echo’s en spiegelbeelden. Enkele resonanties:
- De Lof der Zotheid (1511) — Erasmus’ satirische meesterwerk waarin Dwaasheid zelf het woord voert. Een onmisbare leidraad voor elke hofnar die de tijdsgeest wil doorgronden.
- Doctor Faustus — In Goethes Faust verschijnt Mephistopheles aan de geleerde als een zwarte poedel. Het pact met duistere krachten begint vaak onschuldig.
- De Zwarte Hond — Een oude Europese metafoor voor melancholie en depressie. Winston Churchill gebruikte de term om zijn eigen demonen te beschrijven. Lees meer over dit thema op ruudhelmink.nl/de-zwarte-hond
- De Zingende Buurman — Over galeries, utopieën en de kunst van het nabuurschap in een sombere tijd. Lees verder op ruudhelmink.nl/de-zingende-buurman-utopia-in-mineur
- Het Jachtslot ’t Loo — Waar koningen hun plichten tijdelijk mogen vergeten en even mens mogen zijn.


Leuk pas op voor de hond😜