U denkt het Haagse Hof inmiddels wel te kennen – door mijn narrensprongen weet u onderhand dat de dwaasheid regeert, en slechts de afgelopen weken draagt u als bewijs aan. Hoog tijd dus dat ik u vertel over mijn recente ontmoeting met de hooggeachte professor en medicus, dr. Faust. Dankzij zijn inpolderingen hier te lande wordt hij nog altijd gastvrij ontvangen en hoog vereerd.
Hij sprak me aan op mijn elixer.
“Beste dwaas, waarom spreekt u zo vrijelijk over uw lachelixer? Vorige week nog vermeldde u het in uw brief aan de hovelingen. Begrijpt u dan niet dat u zich geheimzinniger moet gedragen?”
“Ach, u weet toch, doctor, dat ik voor de duivel niet bang ben. Waarom zou ik dan niet diegene in de hoogste nood lenigen uit een beetje barmhartigheid? Daar hoef ik toch geen prijs voor te vragen?”
“Zo zult u altijd klein van geest blijven, en slechts achter het gordijn een marginale rol spelen. U spreekt vaak over de tijdsgeest, maar u ontvangt hem niet als een blijde komst. Ik verwijt u dat. Want als wij niet meespelen in het spel der dwazen, zullen zij nooit geloven dat alles wat gelukkig maakt een prijs heeft.”
“U verleidt mij tot een discussie?”
Ik zag op zijn gelaat al het begin van een grimas verschijnen.
“Nee, geen sprake van. Met u zou ik nooit durven te redetwisten. Ik weet namelijk best dat u een volgeling bent van wijngod Dionysos. Noch zou ik onder de tafel in mijn favoriete wijnkelder van u kunnen winnen, noch in de politieke arena, met al uw vreemde narrensprongen waarvan men pas achteraf de associatieve zin begrijpt. Ik wil u slechts wijzen op het simpele feit dat u pas van blijvende invloed zult zijn, als u uw elixer niet vrijgevig ronddeelt, maar slechts schenkt aan hen die u de hoogste eer bewijzen.”
“Dank voor al uw complimenten. Maar redetwisten zit niet in mijn aard, en u zult mij niet verleiden om op wat goed is, een prijs te zetten. Ik volg slechts het voetspoor van Paulus, die in het Narrengilde als dwaze gids wordt geprezen. Maar vertelt u mij: vanwaar bent u hier aan het Hof? Bent u bang dat men ook nog uw polders onder water zet, nu men hier maar geen oplossing weet te bedenken voor de stikstofcrisis?”
“U heeft een punt. Ik vrees inderdaad dat mijn vurigste verdedigster – die prachtige, op Grietje gelijkende voorvechtster voor de boeren – haar kunsten heeft overschat. Maar dat is slechts bijzaak. Toen ik hier met mijn zwarte hond het laatst was en mocht heersen over dit moerasland aan zee, was het slechts een spel voor mij. Een manier om met magische trucs het water te beheersen tot achter de duinen. Maar aan elk spel komt een einde, wanneer je het plezier van het winnen verliest. Soms je verlies nemen – dat maakt je rijker aan ervaringen. Dat moet u toch herkennen? Nee, ik ben hier om u te overtuigen mij het geheim van uw elixer te schenken. Ik ben het zat om Mefisto te volgen. Graag ruil ik de zwaarmoedige strijd tussen geest en lichaam, natuur en cultuur, licht en donker in voor uw lichtvoetigheid. Ik kom om van u te leren hoe een lach de naargeestigheid doet verdwijnen.”
Misschien moet ik u nu eerst iets meer vertellen over hoe men een nar wordt. Allereerst moet men een stevige, inhoudelijke studie volgen, met onderdompeling in politiek, psychologie, rechten en economie. Gelukkig kunt u dat gemakkelijk volgen aan de gemeentelijke universiteit in uw hoofdstad – net zoals uw prinses, die mijn wijze raad altijd terstond begrijpt.
Vervolgens is er natuurlijk de studie der accessoires. U ziet mij misschien slechts in narrenkostuum, met spiegel en narrenstaf, maar ik weet alles over juwelen, brokaat, stoffen en kralen. Mijn koningin wedijvert soms met mij, wanneer zij ’s avonds mij laat raden welk kroonjuweel zij tevoorschijn haalt. Haar plezier verdwijnt snel wanneer ik – na een uur haar spel lachend meegespeeld te hebben – uitroep: “Dat is de broche van Anna Pawlowna.” Dan zie ik besmuikt de koning lachen, maar hare majesteit kijkt mij dan zuur aan.
De onderdompeling als metgezel bij een zoogzuster Nelle en een Lamme Goedzak is echter een zware dopper die volgt na de studietijd. Dat is niet voor de minste broeders weggelegd. Dansen kunnen we allemaal leren, maar van hof naar hof trekken in een huifkar met slechts een armoedige ezel is geen pretje. Toch is het noodzakelijk om het edele vak van hofnar te leren. Het Narrengilde wijst je twee metgezellen toe, die weldra je meest dierbare naasten worden. Voor mij waren dat Bianca en Cosmo, die ik nog altijd in mijn hart meedraag. Vooral haar advies maakte mij wijs over de kracht van voluptueuze dames die op edele wijze een kontenknijper in zijn hemd laten staan. Ook haar intuïtie om slijmerij direct te doorzien en te ontmantelen wil ik niet onvermeld laten. Misschien was dat wel mijn moeilijkste les: leren weerstaan aan de verslaving van applaus. Van onvolprezen hulde tot zurige boegeroep – je krijgt een kick als mensen je toeroepen. Laatst was er nog zo’n parmantig voorbeeld: van ooit het beste gemeenteraadslid van het land tot kandidaat-lijsttrekker voor één dag – iemand die pas in de schijnwerpers opleefde als redder des vaderlands.
Ik keek naar de eerwaarde doctor Faustus en zag direct zijn metgezel. Zijn zwarte hond maakte mij duidelijk dat mijn gesprekspartner nog altijd niet wist dat levensgeluk voortkomt uit eigen talenten – en dat men daar geen duivelse kunsten voor nodig heeft. Ik moest even terug naar mijn ziel…
En zo reprocheerde ik zijn uitnodiging, niet met verwijt, maar met de lichtheid van een dwaas en de hoffelijkheid van een bon chevalier – sans peur, sans reproche.
Zoals Pierre de Terrail, seigneur de Bayard, de legendarische ridder zonder vrees en zonder blaam, verkoos ik waardigheid boven wedijver en waarheid boven onderhandeling.
Ik toonde hem mijn lach.
“Mijn beste, eerwaarde doctor. U doet mij zowel vreugde als pijn aan mijn tere hart. U treft mij met uw zoete woorden – niet om als politicus mijn stem te verkrijgen, want daartoe verlaagt u zich niet – maar als medicus en apotheker die het geheim van het Narrengilde wil ontsluieren. Maar waarom vraagt u mij naar de bekende weg? Bent u vergeten dat wij samen naar de onvergankelijkheid zijn gelopen – en dat u mij uiteindelijk in de steek liet? Ik zie dat uw zwarte hond u nog altijd begeleidt. Daarom moet ik u teleurstellen. Ik ben niet op zoek naar roem. En ik zal klinkende munten afwijzen, mocht u zich daartoe willen verlagen. Mocht u van mij een kleine flacon met wat lachelixer wensen, dan geef ik die gratis en voor niets. Wie weet beseft u dan op een dag dat geluk schuilt in een eenvoudige, schalkse lach. Als u mensen met een open gelaat tegemoet treedt, zal de wereld zich voor u openen. Dan zult u snel de kracht van resonantie ervaren: wat u deelt, wordt vermenigvuldigd. Elk blij gemoed maakt de hemel op aarde tastbaar en gemeend. Maar uw grimas – daar mag u zich eindelijk van verlossen.”
Ik hoorde de hond grommen en wist dat zijn grip de arme dokter nog te zeer beheerste. Daarom maakte ik met een sierlijke buiging – een d’Artagnan waardig – een einde aan het gesprek.
“Maar nu moet ik u helaas vaarwel zeggen. De waardin wacht op mijn hulp bij het bakken van zoete broodjes. Tijdens de aanstaande top verwacht ze er velen te verkopen, en ik help haar graag om haar klandizie tevreden te houden. Nu ik u ook hier aan het Haagse Hof zie, vermoed ik helaas dat het moeilijke tijden worden. Dus spoed ik mij naar mijn vriendin. Ik hoop dat u spoedig uw innerlijke stem weer hoort zingen en zich weet te verlossen van deze zwarte hond.”
Na een paar stappen keek ik nog snel even in mijn spiegel, om mijn vrolijke tronie te zien. Daarmee wist ik zeker dat ik niet beduveld was. En na een hartelijke begroeting van de waardin zette ik mij aan het deeg kneden. Toch wilde ik u – voordat ik wegdroom – nog wel waarschuwen: mocht u aan het hof een man met een zwarte hond tegenkomen, wees dan bevreesd voor de macht van de duisternis en bescherm uw tere hart. Mocht u toch bezwijken: mijn elixer is rijkelijk voorradig, voor ieder die het kan gebruiken om – ondanks de moeilijke tijden – even een lach tevoorschijn te toveren wanneer u ’s ochtends uzelf in zak en as in de spiegel ziet verschijnen.





Super artikel dit! International