Is Den Haag een stad van tuinen, van hofjes, van weelderige plantsoenen en lanen?
Verrassend veel – als je er even bij stil gaat staan. Natuurlijk gaat het vaak over andere zaken. Over parkeren, over wel of niet een marathon, over verbodsbepalingen om te vissen. Belangrijkere onderwerpen kortom waar de gemeenteraad een zwaarwegend oordeel moet geven.
En toch… Toch zijn er zoveel mensen trots op hun kleine bijdrage aan de stad. En er zijn zoveel eenvoudige dingen die ons allemaal verblijden – de inspiratie die een stokroos of blauwe regen ons geeft. En dan de hofjes. De binnentuinen van complexe woonoorden. Parels die alleen een toevallige passant plots opmerkt als hij bezig is met de grote problemen in de wereld op te lossen. Wanneer hij weer eens vergeefs probeert de Gordiaanse knoop te ontwarren, glipt hij naar binnen. Zoals bij de hoftuin naast de Theresia van Avilakerk. De deur heeft zich voor een tel geopend.
Wat een weelde. Hier in Den Haag. Zo vlak bij. Om de hoek.
En met die verrassing krijgt de passant – in het dagelijks leven een kamerlid – een geweldig idee. Laten we beginnen met ons eigen tuintje schoffelen. Wat nieuwe zuurstof in de grond, dat doet wonderen. Morgen gaat hij dat bij de Regeling van Werkzaamheden als punt voorstellen. Met een passend citaat erbij.
Had die eeuwige observant niet reeds als puber in de hofstad begrepen dat men zijn eigen tuin moet cultiveren om een rondborstige schone te ontvangen? Dat een wel onderhouden tuin zelden verstoken blijft van schoonheid en gezelschap?
Want nu steeds meer mensen denken dat we in “the greatest of all time” (GOAT) leven, wist Leibniz dat al eerder te beweren. Voltaire dacht daar het zijne van. En kwam tot die ene verzuchting:
“Il faut cultiver notre jardin.”
En zo spreekt komende week ons geliefde Kamerlid:
“Daarom verzoek ik de voorzitter de vergadering direct te schorsen zodat wij een lusthof van de geest creëren. Hier voor ons parlement. Tegels lichten, met onze blote handen, in de aarde wroeten, gelijk alle zusters en broeders uit deze trotse stad. Waar we als Kamerleden soms mogen flaneren en hun tuinen mogen aanschouwen. Dus kom op — elk stuk onkruid vervangen door een welriekende roos, en elke peuk opgeveegd, zal ons tevreden doen stemmen gelijk al die schone citoyens die ons lachend en zingend het beste voor het land toewensen.”
En na deze emotionele woorden besloot de Kamer eenstemmig het goede voorbeeld te volgen. De agenda was die dag zo saai, en het zonnetje scheen zo coulant. Als broeders en zusters volgden alle hovelingen de verklede dwaas naar buiten. Wie goed keek, zag hem glimlachen.



