Wat rondom het hof alom bekend is, maar in de buitenwereld het best bewaard gebleven geheim sinds het ‘Stokske’ van Joan van Oldenbarnevelt is verdwenen, zal ik als hofnar niet langer verzwijgen. De tijden vragen immers om openheid en transparantie, noodzakelijk om te komen tot een rechtvaardige bestuurscultuur. Met de billen bloot, zoals men dat tegenwoordig zegt.
Het geheim dat ik onthul, betreft de ontlasting. Nummer twee, zoals de Amerikanen het noemen. Poepen, schijten, of gewoonweg bouten – op zijn plat Nederlands uitgedrukt. Zodra iemand tot het ambt van minister, staatssecretaris of Kamerlid wordt verheven, krijgt deze persoon bezoek van twee hofdienaren. Zij presenteren het blauwe boek: een verzameling gedragscodes en voorschriften die sinds 1624, op last van prins Maurits, gelden voor de Staten-Generaal en de Trêveszaal.
Hierin staat, heel expliciet, dat men een diploma moet behalen om te bewijzen dat men zich netjes kan ontlasten. De techniek die daarbij komt kijken, is niets minder dan verfijnd – een oefening die alleen de fijnste geesten uit dit land mogen beoefenen. Een eenvoudige gang naar het toilet is niet voldoende. Nee, de waardigheid van het hof vereist meer. Geurbeheersing en een galante manier van afwateren spelen een cruciale rol – alles om ervoor te zorgen dat zelfs de meest kritische neus in de Trêveszaal niets ruikt dan de walm van de macht.
De procedure is als volgt: de betrokkene dient op een speciaal ingericht bed plaats te nemen, vrij van kleding aan de achterzijde. Wanneer men comfortabel ligt, drukt men op een knop, waarop een automatische po in positie schuift. Vervolgens treedt een machine in werking die, met precisie, de ingewanden leegzuigt. Na het klinken van het Wilhelmus – een patriottisch hoogtepunt dat menig tranen ontlokt – mag men zich weer oprichten en aankleden.
Nu begrijpt u wellicht waarom de mondhoeken van onze hoogwaardigheidsbekleders vaak zo naar beneden hangen: een pijnlijk symbool van de zware lasten die het ambt met zich meebrengt, zelfs in de meest persoonlijke momenten. Hoewel de eerste keren als luxe worden ervaren, raakt men al snel uitgekeken op deze procedure. Toch lijkt het voor sommigen verslavend. Deze enkelingen blijven decennialang op het Binnenhof rondhangen, puur om gebruik te kunnen blijven maken van deze uitzonderlijke faciliteit. Zij beschouwen zichzelf als verheven boven de gewone sterveling en fluisteren, in de geest van Lodewijk XIV: “L’état de défécation, c’est moi.”
Maar hoe onaangenaam het ook lijkt, de regels zijn streng. Zonder geslaagd examen en ondertekend diploma mag niemand de hoogste ambten aan het hof innemen. Niemand, op één functionaris na. U begrijpt vast wie. Mijn brede glimlach verraadt het: ik ben vrijgesteld van deze rare fratsen – een geheim privilege dat ik met veel plezier koester.
Nu de tijden openheid eisen, acht ik het echter mijn plicht dit geheim met u te delen. Doe ermee wat u wilt. Vertel het door, gniffel in uzelf, of bedenk één ding: dat hofleven, dat is misschien toch niet zo’n poep en scheet waard.




