Ik omvat meervoudigheid
I contain multitudes
Het is niet in één enkele zin
Dat ik mij wil uitdrukken.
Dus blijf nog even
Om te horen wat onder mijn lijf schuilt.
Velen willen mij verbergen
Onder een deken, onder een vacht—
Beer, tijger, gorilla,
Zelfs zebra en struisvogel.
Maar deze blijmoedigheid
Maakt plaats voor rede en ernst.
Vervolgens zie je me verschieten,
Zodra je een leeuw in het vizier had.
Ik wisselde van gedaante
En werd een zwarte merel,
Die je vrolijk toezingt
Om de wereld te verblijden.
Ik omvat meervoudigheid.
De menigte lacht mij toe,
De tranen vloeien rijkelijk,
De woede schreeuwt om aandacht,
De bitterheid te vaak.
Maar voor nu een zoetige waas
Die je liefde wenst.
Want uit zoveel kleuren
Valt een prisma uiteen—
Het zonlicht verwarmt ons allemaal.
Mag jij ook opzien baren,
Vanuit veelvoud jezelf onthullen,
De verwondering in je ogen.
Dat de wereld niet te vangen is
In een simpele werkelijkheid.
Zo wil schoonheid ons vragen:
“Schijn vanuit meerkleurigheid.”

