Zojuist ben ik naar huis gerend. Na een onverwachte ontmoeting met de kaasboer tijdens mijn dagelijkse wandeltocht voelde ik de onweerstaanbare aandrang u meteen op de hoogte te stellen van zijn grote wijsheid.
U weet wellicht dat ik deze heer doorgaans liever vermijd, doch de etiquette van het flaneren schrijft voor dat men ieder op zijn pad minstens een minzaam knikje schenkt.
Vandaag echter… vandaag was anders.
Hij stond daar zó intens een boom te omhelzen, alsof hij zich had vergist in de recipient van zijn normale tederheid. En hoewel ik hem meestal passeer met slechts een half gelift ooglid, kon ik deze keer de verleiding niet weerstaan hem aan te spreken. Als hofnar voel ik mij immers verantwoordelijk voor het vastleggen – en mild bespotten – van het buitenissige.
Maar toch, terwijl ik hem daar zo aanschouwde, dacht ik even: zie hem daar nu… het kan toch niet zo zijn dat ik, de officiële dwaas aan het Hof, overstemd word door een boomknuffelende zuivelhandelaar? En dan nog wel de kaasboer – hij met die immer scheef gezakte hoed als kroon van de eenvoud.
Dus nam ik een besluit. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en mijn eergevoel licht gekrenkt. En aangezien ik even gemakkelijk het gesprek aanga met ministers als met marktkooplui, stapte ik kordaat op hem af.
“Wat moet dat daar?” vroeg ik hem zonder omwegen. “Heeft u daar wel belasting voor betaald? En weet de Koning dat u zijn bomen op deze wijze bemint?”
Hij maakte zich los van de stam, streek nog even met zijn hand over de bast – een gebaar dat zowel liefde als afscheid leek in te houden – en sprak:
“Natuurlijk, o grote Nar. Hij heeft me zelfs de opdracht gegeven deze bomen toe te spreken.”
Wat ik toen te horen kreeg, beste lezer, had ik nooit kunnen voorspellen. De volgende woorden van de kaasboer zetten een hele keten van koninklijke onthullingen in gang.
“U moet namelijk weten dat ik vorige week, nadat ik de kazen aan de paleispoort had afgeleverd, door de Koning werd binnen geroepen. Hij klonk bezorgd – haast samenzweerderig – en fluisterde mij toe dat hij mijn bijstand nodig had. In het Naargeestige Remonstrantse Courantje had hij gelezen dat we als samenleving veel te weinig ondernemen tegen de klimaatverandering. Een hele editie lang preekte men over schuldbesef, inkeer, en het noodlot dat ons wacht. Een ware oproep tot Salvation, al geloven de Remonstranten daar officieel niet in, aangezien dat alleen de Here na het heengaan toekomt.”
De kaasboer zuchtte en keek omhoog, alsof hij nog steeds in gesprek was met Zijn Majesteit.
“De Koning was aangedaan, beste Nar. Hij bekende zelfs dat hij en zijn vrouw hun uiterste best doen: ze reizen het hele land af om troost en lintjes te brengen, en haar majesteit koopt tegenwoordig ecologische parfums bij het Kruidvat. En toch… blijven hun kinderen verwijten maken over het nalatenschap dat hun generatie de aarde aandoet.
Tijdens een zondagse brunch durfde het jongste prinsesje zelfs te suggereren dat ze de aandelen van de Koninklijke moesten verkopen! De Koning had nét een slok Mimosa genomen en proestte het uit. Gelukkig wist zijn oudste dochter uit te leggen dat met de jaarlijkse dividenden het buitenhuisje in Griekenland én de ranche in Argentinië waren gefinancierd.
‘Had zij wel door,’ vroeg de Koning me verontwaardigd, ‘dat ze de risee van het United World College Adriatic zou worden als wij onze gans met de gouden eieren zouden slachten?’
Je snapt wel, beste Nar, dat ik als trotse kaasboer uit de Beemster de Koning direct kon bijvallen, aangezien aangezien zich in mijn eigen familie iets soortgelijks had voorgedaan. ‘Majesteit,’ zo zei ik daarom, ‘ik weet wat u voelt. In mijn eigen familie werd het erfgoed óók ter discussie gesteld. Een lief achternichtje opperde dat we onze Beemster-aandelen moesten verkopen. Daarmee zou ze niet alleen het nageslacht ruïneren, maar ook het trotse bezit vernietigen dat ons sinds de ontpoldering van de Beemster tot de beste kaasmakers ter wereld heeft gemaakt.’”
Op dit punt in zijn verhaal zweeg de kaasboer even, alsof de mildzoute glans van een oude Beemsterkaas als een heilige hostie op zijn tong smolt. Ik greep mijn kans.
“En… heeft u toen gevraagd of hij de Dominee heeft geraadpleegd?” vroeg ik. “Want ik neem aan dat u, als wijs zuivelman, hem dringend heeft gevraagd wie de eer viel de Koning te adviseren?”
Hij knikte met een glimlach.
“Ach, u kent hem goed! Natuurlijk had hij de dominee gebeld. Nog diezelfde avond had deze valse prelaat zich naar het paleis gespoed. Tot diep in de nacht had de Koning hem uitgedaagd: welke daad past een Koning om Moeder Aarde en het Almachtig Vadertje om vergeving te smeken?
En weet u? Het antwoord was pas gekomen nadat ze zich tegoed hadden gedaan aan de Roquefort. Opeens, uit het niets, hadden ze in koor uitgeroepen:
Hug Trees!
‘Hug trees? Knuffel bomen?’ vroeg ik ongelovig.
‘Zeker!’ zei hij. ‘Uw kaasje herinnerde ons aan tante Irene, die ons ooit toesprak over de liefde voor de aarde en de stroom van energie die door ons allen vloeit. Bomen, zei ze, zijn de antennes van de ziel: reiken naar de sterren en geworteld in de aarde.’
‘Ja, nu u het zegt,’ antwoordde ik, ‘ik herinner me haar voordracht over Spinoza nog goed. Die Wijze, voorvader van de huidige Nar, die God zag in de Natuur zelf.’
En zo, beste Nar, kwam het besluit. De Koning kon het zelf niet doen – hij moest naar Argentinië om de schuilkelder te inspecteren – en dus gaf hij mij, de kaasboer, de opdracht om in zijn plaats boete te doen. Elke boom op het Lange Voorhout moest omhelsd worden, woorden van spijt toegefluisterd krijgen.
Vandaag is dag drie van mijn boetetocht. Tot Goede Vrijdag moet ik alle Veertien Lanen met Koninklijke bomen af. Zo denkt de Koning zijn zonden te verlichten bij het Almachtig Vadertje en genade te vinden Moeder Aarde.”
De kaasboer rechtte zijn rug. Zijn ogen glansden.
“En als dat lukt, dan ben ik niet enkel Kaasboer, maar – vergeef mij de eerbied – als het ware ook de Hofpredikant voorbij! Dan ben ik de plaatsvervanger van de Heilige! De tussenpersoon tussen Koning en Vergiffenis! Gelijk de Paus die in Rome naast het openen van de Heilige Deur, dit jaar een nieuw, geheim ritueel heeft ingesteld voor de Meest Begunstigden der Aarde: knielen voor de Heilige Boom te Rome en driemaal het Onze Vader en Heilige Moeder Aarde bidden voor Eeuwige Vergiffenis.’
De Sacerdos, Qui ut Minister Absolutionem Sacramentalem Tribuit, weet u wel: “De Priester die als Dienaar de Sacramentele Vergeving Geeft!” En stel u voor: mocht de Koning daarna mij officieel die titel geven, dan ben ik niet slechts de kaasboer, maar weldra de Hoogste Edele aan dit Hof. Net een treetje hoger dan U.”
Daar stond ik dan. Met open mond en lichte duizeling proefde ik de laatste zin. Was het ironie of zou hij echt denken mij als Hoogste Dwaas te gaan passeren?
Dus, om een lang verhaal kort te maken. Ik kon het niet laten u hier direct van op de hoogte te stellen. Ren dus vandaag nog naar de dichtstbijzijnde boom, kniel, en prevel zacht. Gelijk de Kaasboer – vir perillustrissimus a secretis Hagaendae*.
* De meest doorluchtige man van geheime zaken aan het Haag Hof




