In jouw ogen zie ik het licht.
Ze staren diep in mij,
draaien de knop om.
Zonnestralen dringen mijn hart binnen,
bestormen de luiken
die te lang mijn ziel
hebben gebarricadeerd.
Het is een besluit:
zich afsluiten of zich openen,
zich wenden tot degene naast je,
haar zeggen: wat stoer, die piercing.
Een compliment opent de ruimte.
Je energie stroomt weer naar buiten,
resoneert in de blik van de ander.
In haar ogen zie je de stralen
die jij hebt laten ontstaan.
Met slechts een kwinkslag in je woorden
weet je ook mij te raken.
Want diep in ons allen huist
een teer bemind wezen,
dat aandacht vangt,
zich voedt met wat zijn hart bemint.
Een zachte klank in de stem van een naaste
is al wat nodig is.
Ieder ontbrandt
door een blik die de ander overweldigt.
Wees niet bevreesd,
want ook jij verlangt
je bloot te geven
aan wie diep in jou resoneert.
“Jezus, ik geloof,
dat al wat leven brengt in ons stroomt.”
Misschien ongepast, je uitroep,
maar de ander begrijpt:
je bedoelt het goed.
“Het is je vergeven,
te lang verborgen,
maar nu in volle luister.
In je ogen zie ik de hemel,
de sterrenpracht.”
Zo zal iedereen, bemind,
de eeuwige herkennen,
die in ieder huist.
In mij, in jou, in ons,
en in hen die nog vreemden zijn,
maar jou zullen bewonderen,
omdat jij hen verwondert.
“In alle eerlijkheid,
wij zijn, mens tot mens,
in staat tot liefde.
Zo stroomt de eeuwigheid in ieder van ons.
Ik vergeef jou de zonde,
zoals jij mij vergeeft.
Wij danken deze liefde die ons verteert.
En zo worden wij stil,
wanneer het Licht eenmaal schijnt,
wanneer de schaduw is uitgezet.”

