verstrikt-in-gedachten

Bij de vorige telling waren er nog maar twee brulaapjes geteld. Ze hadden zich nu vermenigvuldigd, want de toeschouwers van de arena kwamen nu tot een totaal van zeven brulaapjes. Nu kunnen dat er ook zes of acht zijn geweest. 

We moeten natuurlijk rekening houden met na-aapgedrag, zo luidde de eerste analyse. Dat betekent in de praktijk dat een chimpansee zich voordoet als een brulaapje, maar dit eigenlijk niet is. Als hij of zij eenmaal terug is in zijn eigen dierenverblijf wordt deze dan weer schuchter en wijs. Eenmaal hier met alle camera’s en in de schijnwerpers, gedraagt hij zich dan als de rest om erbij te horen. Als een grote aansteller, dus. Een soortgelijk patroon zie je ook bij kinderen. Ze willen graag bij de grote mensen horen. In plaats van lekker kliederen en in de zandbak spelen, willen ze zo snel mogelijk de kinderfase overslaan en ervaren hoe het is om bij de volwassenen te horen. 

Verder komt uit deze eerste telling na de winterslaap naar voren dat er maar één echte gorilla was. Dat hadden de deskundigen niet voorspeld. Vorig jaar was namelijk uit het model gekomen dat er tenminste een of twee apen zich zouden ontwikkelen tot de uitdagers van de zittende heerser op deze apenrots. Maar – zo moet nu worden geconstateerd – de potentiële leiders waren er met de staart tussen de benen weggevlucht. Een van de gegadigde, een al wat ouder vrouwtje, had de leider getrotseerd. Nu zat ze op de tak naast hem. Met enig make-up had ze haar best gedaan om de schrammen te verbergen. De leider had haar in genade opgenomen in zijn boom, waar de hele dierenbende goed te overzien was. Netjes in het gareel, imiteerde ze zijn gedrag. Zo keken ze beiden met enige hooghartigheid naar de meerderheid van bleke scheetjes en stokstaartaapjes voor hen.

Het schouwspel was in het begin moeilijk te ontwarren geweest. Een geoefend oog was nodig om te ontcijferen hoe de verhoudingen lagen. Natuurlijk was het normaal dat – eenmaal uit hun winterverblijven – de apen allemaal door elkaar liepen. Ze snuffelden aan elkaar. Op zoek naar nieuwe geuren en inhoudelijke wijzigingen. Maar al snel hadden ze hun favoriete stek weer teruggevonden. 

In de rechterhoek was de oudste brulaap als eerste op zijn vertrouwde plek gaan zitten. Languitgestrekt zat hij daar op zijn tak. Bijna stoïcijns, mocht je er een mensenterm op willen plakken. Pas als er een camera op hem gericht werd, kwam hij in beweging. De ervaren toeschouwer wist dan wat erop zou volgen: een grote brulpartij. Zijn speelkwartier duurde meestal zo’n kwartiertje. Als hij zijn tanden had laten zien, ging hij weer terug naar zijn plek. De toon voor de rest van dit circus was door hem gezet.

Een van de stagiairs van de deskundigen op de tribune verwonderde zich erover dat er geen lachebekjes waren. Zijn begeleider keek hem eerst bozig aan. Bij deze seizoenopening verzamelde hij traditiegetrouw samen met vakgenoten om een eerste begintelling te doen van de troep apen. Zo konden ze goed vergelijken hoe het gedrag per jaar veranderde. Dit keer had hij enkele stagiairs meegenomen, in de vooronderstelling dat deze alleen zouden toekijken. Zwijgend. Voor commentaar en analyse moesten deze beginnelingen echt nog jaren studeren op het gedrag van deze dieren.

Omdat het wel waar was – humor was dit jaar ver te zoeken – opperde hij vanuit zijn jarenlange ervaring dat dit kwam omdat de sociale verhoudingen ingesleten waren. Aan de leider van deze troep kon niemand tippen. Daar op zijn rots zat hij koninklijk en meesterlijk. Uit ideeënarmoede en fantasieloosheid volgden berusting en gelatenheid bij de rest. Ze hadden allemaal hun maniertjes gestolen uit de trukendoos van de brulaap uiterst rechts. Deze oude aap zette nog altijd de toon door zo hard mogelijk te schreeuwen. Dat bleek de grootste aandacht te genereren. Helaas was een treurnis van gelijkvormigheid wel het gevolg. 

Misschien lag de reden er ook wel in dat de bewakers dit jaar zo weinig mogelijk apen tot deze arena toe hadden gelaten. Alleen de sterkste van elke clan mochten elkaar hier treffen. De rest – zo vreesden de verzorgers en de bewakers – waren te teer van ziel. Vorig jaar was er namelijk een virus rondgegaan. De verzorgers hadden gevreesd dat de troep apen gedecimeerd zou worden. Voorzichtig als ze waren hadden ze nu het aantal dat vrij mocht buitenspelen dan ook gedoseerd. 

Welke gevechten er binnen in de ‘clans’ waren uitgevochten, was aan het zicht onttrokken. Voor nu hadden daar de toeschouwers ook geen oog voor. Dat was iets voor latere zorg. Misschien dat de stagiaires dat voor hen konden gaan uitzoeken, want binnen die clans ging het er saai aan toe. Zo af en toe stak er een stokstaartaapje zijn kopje boven het maaiveld. Tot echte gevechten kwam het zelden, als de clanleider er maar voor zorgde dat het aanwezige voedsel gelijkelijk werd verdeeld. Ook met een sporadisch en trefzeker uitgevoerd schouderklopje kon hij eventuele opstandjes met gemak bedwingen.

Voor nu zag het er goed uit voor de leider op de apenrots. Hij kon met een gerust hart het schouwspel voor hem aanschouwen. Deze beestenboel was hem in meerderheid gunstig gezind. Brullen kon iedereen. Van schreeuwpartijen voor de camera had hij niets te vrezen. Achter de schermen trok hij nog altijd virtuoos en majestueus aan de touwtjes.