Ach, u moet het mij vergeven. Ik kom net terug van een cursus Soebatten en Smoezen – verplichte kost hier aan het hof. Maar of ze mij er nu een plezier mee doen?
Ik moet elk jaar weer aantreden. Als hofnar wordt er soms van je verwacht dat je aantreedt om je kunsten te vertonen. En omdat ik nu eenmaal gezien word als allemansvriend, eisen ze mijn presentie. En als mijnheer de Koning mij beveelt, ga ik daarheen waar ik mijn waarde kan bewijzen.
Nee, het is niet zo dat ik de jonge ambtenaren en andere edellieden direct hoef uit te leggen hoe ze deze vaardigheid onder de knie krijgen. Dat weten ze zelf het beste. Na zoveel jaren in de collegebanken hebben ze de basis perfect op orde. Sommigen zijn reeds in hun tienerjaren bewust gemaakt van de edele kunsten die hier aan het hof gemeengoed zijn.
Richting hun vader en moeder hebben ze menigmaal zo lang gepreveld over de noodzaak om digitaal verbonden te zijn, dat ze precies weten hoe ze hun zin krijgen. Met in de ene hand de telefoon en met de andere hand gesticulerend – net als Italianen – om hun zin kracht bij te zetten, is voor hen geen enkel probleem. Maar de verheven kunst van soebatten en smoezen zoals ze hier aan het Hof gewoon zijn te doen, daarvoor moeten ze nog door de mangel worden gehaald.
Met de docent heb ik een werkafspraak. Hij de theoretische uiteenzetting en ik het vertier. Bij de oefeningen voor ‘soebatten’ speel ik zo de boeman. Als de pupillen op dreef zijn met nutteloos heen geklets, roep ik dan plotseling:
“Ho, stop eens met gepalaver!”
en een andere keer:
“Wat zit je nu weer te slijmen, alsof de baas je grootste vriend is?”
Soebatten – het woord drukt precies uit waar we hier aan het hof hele dagen mee vullen. Oorspronkelijk vanuit het Maleis de Nederlandse taal binnengekomen, betekent het ‘vriend’. De Indonesische knechten wisten hun witte meesters met talloze herhalingen van sobat (afgeleid van het Arabische suhbat – vriend) altijd wel te krijgen waar ze hen blieven – meestal tot dat punt waar ze de opgedragen taak niet meer hoefden uit te voeren.
“Ach, vriend.”
Hier aan het hof is geen enkel mens een vijand. Dat begrijpt u natuurlijk als geen ander, nadat u jarenlang de voormalige raadspensionaris aan het werk zag. Met zijn meest gulle lach – zijn ouders hadden hem de Oost-Indische kunst van soebatten fijntjes ingeprent – wist hij iedereen in te palmen als zijn grootste kameraad. Pijnlijke besluiten werden zo fijntjes op de lange baan geschoven. Maar om je bewust te worden hoe deze edele kunst werkt, moet je het proefondervindelijk leren. En eenmaal bewust, snap je direct waarom het aan het Hollandse Hof soms wat tijd kost om tot resultaat te komen.
Ach, je kan natuurlijk ook een tijdje het kippenhok observeren. Want ook kippen kakelen wat af, voordat ze eindelijk de moeite doen om een ei te leggen.
En ondertussen maar smoezen: onder elkaar konkelen om uitvluchten te zoeken waarom het toch zo lang duurt. Dat precies vormt het tweede deel van de cursus.
Hier neem ik een andere rol aan. Dan mag ik de kippetjes als het ware tegen elkaar en tegen de docent opzetten. Als een sluwe vos zeg ik zo tegen de een dat de deadline écht te vroeg komt:
“Hoe durven ze het je te vragen! Want dan moet je de hele nacht doorwerken.”
En zodra dit gerucht lekker gaat rollen, voeg ik snel de volgende toe:
“Wat? Accepteer je die taak? Je had nee moeten zeggen, want dat is werk voor drie hovelingen!”
Wie denkt dat daarmee de cursus is afgerond, vergist zich. Want de ware meesters aan het hof onderscheiden zich pas door het schrijven van een ultiem excuusbriefje. Dit examen is hoogst persoonlijk ingevoerd door de meest zwijgzame die we hier aan het Hof hebben gekend – Prins Willem van Oranje. Nadat hij zijn Apologie aan de Spaanse Koning had gezonden, wist hij precies hoe een hoveling zich moet bekwamen richting zijn meester. Door voor hem te kruipen met excuses en pleitnota’s, kan je tot grote hoogte onder het volk opstijgen.
De slimsten in de klas vragen natuurlijk direct belet bij de hofprediker en rennen naar de Waalse Kerk op het Noordeinde om daar zo’n kundig werkje tegen wat kleingeld te kopen. Want net als Willem zijn hofprediker Loyseleur de Villiers opdracht gaf om samen met de hugenoten Hubert Languet en Philippe du Plessis-Mornay zijn excuusbriefje na de banvloek van Filips II op te stellen, moet je als hoveling niet de moeite nemen om zelf te gaan zwoegen. En nu – in deze tijd van ChatGTP – is een vlammende verdedigingsrede slechts een kwestie van seconden.
Een simpele vraag aan AI volstaat: “Schrijf mij een apologie in de trant van Willem van Oranje, waarin ik mijn onschuld betuig en met edele woorden mijn opdrachtgevers tot inkeer breng…”
Om deze vluchtschriften vervolgens te beoordelen, gebruiken we voorts de beproefde hofmethode van de paleistrap. Zo sta ik daar samen met de koning – want hij laat deze kans niet voorbij gaan – om met een sierlijke boog deze paperassen van zijn trap te werpen om direct te bepalen wie een 10 haalt en wie een 1.
Maar wie denkt dat de besten enkel uit de papieren rollen, vergist zich deerlijk. Echte talenten herkennen we aan de toog.
Vaak zijn het de meest simpele zielen, die ’s avonds laat met mij en andere doorgewinterde hovelingen nog tot diep in de nacht aan de bar het levenslied vertolken. Zij krijgen van de examinatoren een eervolle vermelding, die per ijlpost aan Majesteit wordt gestuurd.
Uit de lichting van dit jaar – zo mag ik u wel verklappen – zitten werkelijk voortreffelijke kandidaten voor topposities. In enkele jaren zult u ze waarschijnlijk op het bordes zien pronken.
Eentje – maar nu verraad ik waarschijnlijk te veel – had zich werkelijk de moeite getroost om voor zijn Apologie de Gordiaanse knoop van de stikstofdeken over het land te ontcijferen. Een meesterwerkje, gelijk aan het werkje van Willem aan zijn Spaanse Koning om te ontkomen aan de banvloek. Zoals de landvoogd toentertijd ook lang heeft getwijfeld, moesten wij nu ook lang nadenken wat te doen? Het beste zou natuurlijk zijn om dit pamfletje de status van officieel regeringsdocument te geven en heen te zenden aan de Brusselse Hoogmogendheid om hen daar aan dat Hof der Meest Edelmoedigen van Holland’s beste bedoelingen te overtuigen.
Helaas stonden wij met die papieren te lang boven het fijn knisperend haardvuur te epibreren. En toen de waard ons een dubbele portie Brugse Zotten bracht, viel pardoes dit meesterwerkje in het vuur.
Om alles maar te doen vergeten, hebben wij de fijne ridder de volgende ochtend laten weten dat hij was gezakt voor de cursus Soebatten en Smoezen.
Volgend jaar mag hij meedoen aan de herkansing, maar tot die tijd moest hij eerst maar eens leren te genieten van het leven, en niet zo wijsneuzerig in de boeken de waarheid zoeken.
Toen hij daarop met allerlei excuses aan kwam zetten, hebben wij hem getrakteerd op een volupteus Bourgondisch diner. Daar – na de kazen, het wildgebraad, de wijn en het zoete gebak – wist hij ons het grootste geheim van het Hof te ontfutselen: dat wie werkelijk meester wil zijn over anderen, eerst meester moet worden over zichzelf.
En zo, goede vrienden, begrijpt u nu waarom deze nar wat doorleefder oogt dan zijn jaren doen vermoeden. Ik zal er geen doekjes om winden.
Want deze jonge ridder kwam tot eindelijk tot inzicht. Hij bestelde nog een ronde Brugse Zotten, dronk ons onder tafel, zong met volle borst het levenslied, en met fonkelende ogen en blozende wangen galmde hij door de keldergewelven:
“Je Maintiendrai!”
– Ik zal volharden.
Onder het toeziend oog van oude hovelingen en nieuwe kameraden begreep hij ineens de ware betekenis van de lijfspreuk van Willem van Oranje: dat standvastigheid, geslepenheid en kameraadschap samen sterker zijn dan welke opdracht of banvloek ook.
Daarop, zonder dralen, benoemde ik hem — Examinator van de Hoogste Orde — tot Hofsecretaris Derde Klas. En zo stuiterde hij, met opgeheven hoofd en een hoofd vol plannen, vrolijk de wijnkelder uit.
En zo, waarde vrienden, kunnen we de boeken weer sluiten. De papieren verbrand, de koppen geteld, de lessen geleerd. Tot volgend jaar – wanneer ik opnieuw zal aantreden, met spiegel en Narrenmuts, om nieuwe pupillen in te wijden in de kunst die ons allen hier aan het hof overeind houdt: soebatten en smoezen.
* Noot:
Hofprediker Loyseleur de Villiers was vertrouweling en ghostwriter van Willem van Oranje, en werkte samen met de hugenoten Hubert Languet en Philippe du Plessis-Mornay aan de beroemde Apologie.



