“Ga je nu altijd zo verkleed, Nar?”

Onlangs stelde een hoveling mij deze doldrieste vraag. Recht in mijn gezicht. Ik lachte hem toe—maar niet bepaald met mijn meest vrolijke lach, kan ik u wel toevertrouwen.

Ik kon niet direct antwoorden, want hoe laat je iemand in zijn waarde als hij jouw ziel tracht te doorboren met Hollandse directheid?

Daarom besloot ik hem met superlatieven te repliceren.

“Nee, mijn waarde man. Ik verbaas mij erover dat u mij niet herkent. Want dagelijks kom ik bij u langs het bureau om u koffie te schenken. Natuurlijk, u heeft dan geen oog voor mij, maar weet dat ik mijn ogen en oren goed de kost geef. Zo weet ik alles over uw browsegeschiedenis, en kan ik ook vertellen hoe u loenst naar uw directrice. Ja ja, kijk nu niet verbaasd.”

Ik zag hem ineen schrompelen. Ik had instinctief gegokt naar zijn zwakke plek, maar perfect doel getroffen.

“U denkt nu waarschijnlijk dat u beter op uw ondergeschikten en bedienden moet letten. Misschien hebben zij wel een andere kant, die u tijdens uw deliberaties en moeilijkdoenerij over het hoofd ziet. Maar vergeet het maar. Morgen, als u parmantig een van de ivoren torens betreedt, zal de sociale stratificatie het van u eisen dat u zich gedraagt naar uw naam en stand. Uw onderdanen verwachten niets anders en zullen slechts achter de schermen over u bescheuren van het lachen.”

“U bedoelt net als bij de tv-serie White Lotus?”

“Ach, heerschap, u verraadt nu echt te veel over uw zielige bestaan. Want ik zie u al thuiskomen na een vermoeiende kantoordag, met al dat geroddel en politieke wissewasjes, om neer te ploffen voor de buis.

Weet dat ook ú een masker draagt als u ’s ochtends de deur van uw Benoordsehoutse pied-à-terre verlaat, evenzo als zovelen die in uw ogen een minder waardevolle bijdrage aan de maatschappij leveren.

Waar zou u echter zijn zonder dat kopje koffie, ingeschonken door een barista van wie u niet kan bevroeden dat zij een scriptie heeft geschreven over de narcistische cultuur en het belang van resonantie in de eenentwintigste eeuw?

En waarom beval u vanochtend nog de Roemeense loodgieter op te schieten met de reparaties aan uw dakkapel, terwijl hij in zijn thuisland de Academie voor Hogere Strijdkunst heeft doorlopen en zich, om een hongerloontje van Officier te besparen, hier in Den Haag aan het werk heeft gezet?

Wordt het niet eens tijd om de essentie van het mens-zijn te omarmen, en de ander als broeder of zuster te zien?

Stel u toch eens voor dat uw zoon straks in de loopgraven staat, afhankelijk van de goedertierenheid van de loodgieter die u vanochtend zo heeft afgesnauwd.

Of, nog erger, dat u ooit de Koning gaat voorstellen om voor uw koffiejuffrouw de Spinozaprijs toe te kennen, aangezien zij wél waardevolle adviezen voor de komende tijd had aanbevolen?”

“Ik had u die vraag nooit moeten stellen. Zíj hadden me al voor uw gespiegelde werkelijkheid gewaarschuwd.”

“Neem zij niet al te serieus, mijn waarde heer. Want u behoort, voor alle simpele zielen der geest, tot deze categorie. Uw status hier aan het Hof snelt u vooruit, en onder het gewone volk staat u niet voor niets bekend als bruut. Uw schone en modieuze klederdracht kan daar niets aan veranderen.

Ook al gaat u niet langer meer gekleed in een parmantig kostuum, het klootjesvolk weet echt wel dat u hier aan het Hof ertoe doet. Met slechts een vinger opgestoken zwijgt zelfs de minister van Memorabele Zaken om u te horen spreken over wie nu een monument verdient.

Maar het is wel te betreuren dat u zoeven mij zo in de hoek wilde zetten omdat ik mij weet te kleden naar mijn roeping, terwijl u zo slonzig gekleed gaat. Respect—zo moet u toch bevroeden—is alles waar het hier aan het Hof om draait.”

Ach, mijn waardige lezer, ik hoef u nu toch niet verder uit te leggen dat deze hoveling niet wist hoe snel hij met de staart tussen de benen mijn nabijheid wist te ontvluchten?

Want wat een dwaas van de simpelste soort probeert nu de Nar te slim af te zijn, door te stellen dat ik mijn narrenpak slechts aantrek zonder de werkelijke roeping tot Nar te hebben ontvangen?