Hoffelijk Flaneren

Ah, het zebrapad! Mijn trouwe bondgenoot op deze stadswegen, waar ik, de hofnar, als vanzelfsprekend verwacht dat men mij ziet aankomen. Zwart-wit, zwart-wit, als een tapijt uitgerold voor mijn voeten. Daar paradeer ik, parmantig en fier, alsof de hele stad mij toebehoort. En de koetsen, de stalen rossen en die luidruchtige, snorrende fatbikes? Ze stoppen, ze buigen haast, terwijl ik mijn narrensprong inzet – een lichte, speelse sprong, puur uit dankbaarheid voor deze hoffelijkheid. Niet te uitbundig, natuurlijk, maar toch altijd met een knipoog, alsof ik even laat zien: “Kijk, zelfs de hofnar waardeert dit moment van rust en respect.”

Maar nu, oh nu, lijkt zelfs mijn geliefde zebrapad een wispelturig spel te spelen. Alsof het is meegesleurd in de grillen van stedelijke bureaucraten. Soms ligt het royaal over de gehele weg – fietspad en autoweg gelijk – alsof het zegt: “Kom, hofnar, deze weg is van jou!” Maar dan, bij andere gevaarlijke oversteekplaatsen, krimpt het terug tot een schuchter streepje. En de fietsers op het fietspad snappen er geen snars meer van! Dus soms moet ik wachten op hen, en soms mogen zij bewonderen hoe ik mijn koninklijke narrensprong ook voor hen sierlijk uitvoer.

Ach, hoe moeilijk maken ze het voor ons, de trotse wandelaars van de stad. Wij, die al geen helm, geen koplamp, en geen reflectoren dragen, lopen zonder bescherming door de straten. En toch blijven we, met ons hoofd omhoog, onze route vervolgen, zelfs al lijkt de zebra vandaag te twijfelen aan zijn roeping.

En dan toch nog een laatste oprisping: hoe sierlijk de voormalige premier vaak met mij meeliep over de zebrapaden, hoe dwaas rent de huidige – zichzelf daarbij uitdossend als een fluorescerende gazel. Met zijn rare sprongen waagt hij zich door het politieke verkeer, op zoek naar een eigen pad, terwijl hij doldwaas mijn koninklijke flaneerroute verstoort. Desondanks blijf ik paraderen. Met elke narrensprong over het zebrapad bedank ik de stad, bedank ik het verkeer, en flaneer ik als een hedendaagse stukjesschrijver verder, parmantig en trots, denkend aan meesterflaneur Eduard Elias: “Ik zie rond… en glimlach.”

Toch blijft mij de vraag achtervolgen of alle bureaucraten in het land met de zebrapaden spelen, of dat het slechts een zot, Haags spel is met de achteloze wandelaar?