De dwaas aan het hof is niet altijd vrolijk. Soms is hij bedroefd en treurt hij om het leedwezen in de samenleving. Dat is natuurlijk overal aanwezig. Van de vriendin die te vroeg aan kanker sterft tot aan de vader die zijn kind niet mag zien. Het meeste leed komt uit het leven zelf voort. Dood, ziekte en liefdesleed; ze tieren welig, zoals brandnetels en bramenstruiken op stikstofrijke grond. Toch is er ook een kwaad dat uitgaat van de Staat.
Afgelopen week stond in het teken van het onrecht dat door de Belastingdienst aan veel mensen is toegebracht. Als hedendaagse vertolkers van J’Accuse (Émile Zola) hebben journalisten van de Trouw en RTL Nieuws deze gitzwarte waarheid onthuld. Dankzij de politieke vastberadenheid van Pieter Omtzigt (CDA) en Renske Leijten (SP) moest de uitvoerende macht in het parlement dip door het stof en zich daarmee publiekelijk verantwoorden.
‘Schenk uw dienaar een opmerkzame geest’, zo vraagt Koning Salomo in zijn droom aan God. Hij is nog een jonge koning en verzoekt niet om een lang leven of grote rijkdom. Nee, hij vraagt om de wijsheid, zodat hij onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Een dergelijke wijze koning zou de Nar aan het hedendaagse hof ook graag willen bezingen. Helaas weten we beter. De Staat kan zodanig in de overdrijving schieten dat mensen in de knel komen tussen de raderen van bureaucratie en rechtspraak. Ondanks geschreeuw en gevloek aan de kantlijn, binnen onze overmatig geïnstitutionaliseerde werkelijkheid is er dan geen oog meer voor medemenselijkheid en barmhartigheid. Kijk het debat over de CAF11 zaken terug en zie dat de bron van het recht, vergiftigd is geraakt door goede bedoelingen en schone schijn.
Het drama toegebracht door de Dienst Toeslagen van de Belastingdienst is inherent aan hoe een bureaucratie werkt. Eenmaal in gang gezet, blijven de raderen volop doordraaien. Het is daarom dat we mensen van vlees en bloed aan het hoofd plaatsen. Iemand die moet antwoorden als er zaken misgaan. De Staat kan zich – ondanks alle checks and balances – vergissen. Het vereist dan niet alleen een wijze, maar ook een dappere koning die uitspreekt: “Halt, keer om van deze dwaling, wees redelijk en billijk zodat rechtvaardigheid en barmhartigheid in mijn koninkrijk heersen’.
Ruimhartig moet dan de compensatie zijn. Niet als zoetmaker, maar als teken van groot berouw. Misschien dat dan de lach weer terugkeert als symbool van vergeving voor al die menselijke overmoed om het (samen-) leven tot perfectie te dwingen.

