Zanger aan het Hof - Sehnsucht heeft een Stem

Mijn beste buurman – lieve medehovelingen — ik wil graag benadrukken: mijn allerbeste buurman, om daar geen misverstand over te laten bestaan — genoot afgelopen week zichtbaar van het prachtige weer in onze Hofstad. En zo was ook zijn humeur opgefleurd.

Daar genoot ik, samen met de rest van ons lieve buurtje, dan ook ruimschoots van. U moet weten: naast dat hij een hoge pief is bij een partij van aflopende strijdvaardigheid, meent hij ook een verdienstelijk amateurzanger te zijn. Zijn grootvader immers zong op hoog niveau bij de revue te Kirchroah, in de tijd dat Nederland nog een zuidelijk wingewest had. U weet daar vermoedelijk niets meer van, en misschien is dat maar goed ook — u maakt zich liever zorgen over het onheil op andere continenten.

Nu moet ik zeggen: ik heb genoten van zijn zangkunsten. Hij ging terug in de tijd. Nadat hij zich dapper, zij het vergeefs, door de hoge noten van een opera van Verdi had geworsteld, besloot zijn AI-muziekgenerator gelukkig dat het tijd werd voor jaren tachtig muziek. Toen klonk Frank Boeijen, gelijk Bruce Springsteen, zingend over Utopia en Goudzoekers.

Ik ben van een leeftijd dat ik de melodie nog wel herken, maar de tekst is wat vervaagd. En zo prijs ik mij gelukkig dat mijn buurman, met zijn zalige stem, mij terugbracht naar vroeger tijden. De Sehnsucht was alom aanwezig, kan ik u wel vertellen.

De gastarbeiders die zich ’s ochtends haastten naar de fabriek, met hun dromen achtergelaten in het verre moederland. De vluchtelingen die in ons landje het Utopia verwachtten, om vervolgens door Frank bevestigd te worden in hun vermoeden: nergens op deze aarde zijn idealen werkelijk geworden. Hoe hard we ook zwoegen en ons inzetten voor de goede strijd.

Deze ballades openden mijn oren. Ze brachten me verder terug, naar het nationale lied en de volksziel. Natuurlijk mogen we trots zijn dat Nederland tegenwoordig de wereld verovert met housemuziek en dj’s. En met de bekentenis over de zangkunsten van zijn moeder — die Claude komend Eurosongfestival bezingt met: “C’est comme ci, c’est comme ça – It goes up, it goes down – And around, and around – Que sera, oui, sera – C’est la-la-la-la la vie” — verwacht ik, net als heel het Hof, dat Claude opnieuw de harten van Europa gaat veroveren.

Want de roem van Jantje Smit — ooit in Duitsland behaald — is inmiddels verbleekt. En met wonderbaarlijke liedjes als Ding-a-dong (1975) en De Troubadour (1969), hoe mooi ook in de eigen taal gezongen, zal Nederland het niet meer redden. Nee, we moeten verder terug. Net als in de donkere jaren vijftig van de twintigste eeuw moeten we hopen dat onze continentale buren ons opnieuw prijzen als dat ‘gezellig volkje’. Want dat straalden we uit toen we het Eurovisie Songfestival wonnen met Een beetje (1959) en Net als toen (1957).

We moeten niet blijven zitten met een broken heart. Als kleine jongens in de grote Arcade (2019) — de speelhal van de wereld — zijn we, net als Duncan, toch allemaal een beetje verslaafd geraakt aan het verliezen. Maar dat overtuigt niemand meer. En zeker niet de jonge generatie.

En zo kom ik weer terug bij mijn buurman. In zijn stem hoorde ik de snik. Hij zong over de arbeidersstrijd en besefte plots: die zalige, strijdvaardige tijd komt niet meer terug. De kinderen die hij tegenwoordig tegenkomt, kijken hem verbaasd aan als hij spreekt over solidariteit met de daklozen aan het Hof. Nee, het Systeem maakt ons allemaal corrupt en verslaafd aan pronkzucht op de telefoon. Alleen door digitaal je misnoegen te uiten, kun je nog volgers verzamelen. Volgers die, met een beetje geluk, zichzelf willen opofferen om te vechten voor broederschap met hen die bekneld zitten tussen de scharnieren van deze tijd.

Maar eerst moet het Systeem veranderen. Pas dan mag hij hen uitnodigen om samen die stoffige platen te beluisteren.

Ik vermoed dat hij plotseling besefte waar dit alles toe leidt. Want ineens was hij stil. Verslagen. De muziek stopte abrupt. Ik hoorde slechts een vloek:

“Ze willen mij niet begrijpen, ook al waarschuw ik ze nog zo vaak voor de wraak van de geschiedenis. Ach, ik ben de laatste der Mohikanen. Ik sluit de boel. Want ík bén de geschiedenis. Mijn opa had eigenlijk ook een hekel aan dat koor. Tussen al die bezwete koepels was hij de enige die nog een beetje begreep waarover hij zong. Voorwaarts, dat is de enige weg die we kunnen gaan – Oh, c’est la vie – La vie en rose – La vie en noir – Oh des soirées comme ça – And I will sing until it’s over – It goes la-la-la-la-la…”

* In deze Narrensprong zitten verwijzingen naar de volgende liedjes:

En de winnaars van het Eurosongfestival: