De ochtendgloren pijnigt niet alleen mijn ogen. Al dagen tarten de zonnestralen mij. Tot in het diepste van mijn bestaan – de zon verbrandt mijn diepste ziel en zaligheid. Regen! Ik smacht er zo naar, maar de mensheid geniet liever van zijn tegenhanger. Ik smeek met mijn bladeren om een druppel vocht. Soms komen de goede mensen langs met een waterslang. Ik vraag niet om een plons, maar om regelmaat. Ook al druppelt het slechts in de nacht, ik ben snel tevree. Van de rechtvaardigheid – en van de door mensen aangestuurde weermachine – mag ik toch wel verlangen dat om de dag er slechts wolken voorbij drijven? Met van die dikke druppels op mijn bladerpracht.
Ik heb al zo vaak de voorbijgangers recht in hun ogen aangestaard: smekend, want zo kan het niet langer. Ik dreigde om deze plek te verlaten. Op weg te gaan, dichterbij een klaterende beek. Om daar met mijn dorre wortels te kunnen baden zoals in de Oude Tijden ook de goddelijke bomen, de Eik en de Iep, door hun Zeus en Demeter werden verzorgd. Of ik beeld me Asjera in: om net als deze moeder van de goden de zeeën te doorkruisen om aan gene zijde weer mijn vijgen te kunnen dragen als lofzang aan de Koningin der Aarde. Helaas zijn mijn wortels geen benen.
En ook al waren ze dat – van de vogels in mijn kruin hoor ik dat de rivier droog staat. Met een dam verderop, verpesten de mensen de natuurlijke watergang. Al wat rest, is amper genoeg voor mijn soortgenoten die daar nu aarden. In het waterreservaat, onnatuurlijk want van menselijke makelij, slaan ze al het vocht op. Om henzelf van energie te voorzien, laten ze onze bladerpracht verdorren. Oh, hoe goedgeefs plachten ze te zijn, als ze druppels schenken. Plensbuien – twee weken en geen minuut korter – dat heb ik en mijn soortgenoten nodig!
Maar mijn zwanenzang houd ik voor mezelf. Ik klaag niet en zeker niet al te luid. Iets verderop hebben ze gister een van mijn oudste vrienden verdronken. De slang op de watertank schoot los. De hele inhoud kwam onder zijn voeten. Langzaam zijn zo zijn wortels verzadigd, totdat al het zuurstof hem is ontgaan. Het tergende geweeklaag klonk tot diep in de nacht. Geloof je me niet op mijn woord? Vraag het ieder ander in dit woud! Ook zij zullen beamen welke lijdensweg hij moest gaan.
Maar vraag het niet aan een mens. Die houdt zich doof. Bewust onwetend – dat zijn ze al zo lang. Hoe kan het ook anders: met wat ze ‘machines’ noemen, stompen ze hun zintuigen af. Dag in – dag uit, in hun oren muziekplugs en aan hun vingertoppen een beeldscherm. Van geen enkel diersoort weet ik het zo zeker dat ze ver verwijderd zijn van hun natuurlijke staat. Al jaren roept de natuur hen tot inkeer. Zelfs de hoogste instantie voegt zich bij dit koor: “Keer terug naar waar het begon.”
Zelfs voor hen die tot inkeer komen, zullen de poorten van het Paradijs zich weer openen. Misschien moeten ze op hun knieën. Misschien moeten ze kruipen. Ja, misschien moeten ze zelfs hun constant gemekker tot zwijgen brengen. Op die wijze – in hun natuurlijke staat – met de mond gesnoerd, de ellebogen gepijnigd en de knieën besmeurd, heten wij hen van harte welkom terug!
Maar helaas, deze verzuchting houdt ons – dieren en planten gelijk – al eeuwen op de been. Met elke rampspoed klinkt weer onze verwensing: “nu breekt het moment aan dat voor de mensen de eindstreep in zicht komt”. Om vervolgens vast te stellen dat ze in hun vindingrijkheid wederom met een nieuwe machine het uitzichtloze lijden weten te verlengen. Ze noemen het een ‘uitvinding’. Het is slechts een ander woord voor het verder knevelen van de de natuur. Ze willen niet beseffen dat met deze ‘innovatie’ de kloof tussen ons (de wonderbaarlijke en evoluerende natuurpracht) en hen (de steeds killere robotiserende mensensoort) alsmaar groter wordt. Want wij blijven trouw aan Moeder Aarde en zij zijn op weg naar de volgende stop: een andere planeet. Daar kunnen ze alles zelf – alleen met hersenkracht en machines – “creë·ren”. Ze noemen het in al hun hybris (of is het onwetendheid?) ‘Nieuw Paradijs’.

